Waarom protesteren mensen?

Auteur: Dr. Jacquelien van Stekelenburg

Jacquelien van Stekelenburg is werkzaam aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij doet onderzoek naar sociale bewegingen en protesten. Ze bestudeert wie de mensen zijn die de straat op gaan, waarom ze dat doen en hoe ze worden gemobiliseerd. 

Over de hele wereld wordt geprotesteerd met straatdemonstraties als meest in het oog lopende vorm van protest. Waarom protesteren mensen? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen ‘Omdat ze ontevreden zijn’. Zo simpel is het echter niet. Neem de anti-oorlogsdemonstraties op 15 februari 2003. Op 60 plaatsen over de hele wereld werd actie gevoerd tegen de plannen om Irak binnen te vallen. Zo ook in Amsterdam, waar 70.000 mensen de kou trotseerden. Ze waren allemaal verontwaardigd over de plannen van Bush, maar…dat was 80% van de Nederlanders! Van deze 12 miljoen verbolgen Nederlanders protesteerde slechts 0,6%. Waarom deze ontevreden mensen wél protesteerden en al die anderen niét is een vraag waar sociaal wetenschappers zich al decennialang het hoofd over breken.

De typische demonstrant

NaamloosDemonstranten zouden marginale types zijn, losgeslagen geïsoleerde individuen. Het tegendeel blijkt waar, demonstranten zijn juist vaak hoog opgeleid en stevig geworteld in de maatschappij, ze werken, doen vrijwilligerswerk en zijn lid van organisaties. Binnen deze sociale netwerken worden ervaringen uitgewisseld en gesproken over politiek. Persoonlijk ervaren onrecht wordt gedeelde onrechtvaardigheid en individuele verontwaardiging collectieve woede. Bovendien fungeren sociale netwerken―reële en steeds meer virtuele―als informatiekanaal over op handen zijnde demonstraties. Mensen worden door vrienden, collega’s, medeleden etc. gevraagd om mee te gaan demonstreren en vervolgens door hen aan hun belofte gehouden.

Effectiviteit van protestacties

Wellicht protesteren alleen die mensen die protest zien als een kans om de politiek te beïnvloeden? Dat is niet zo’n gekke gedachte. Afgezet tegen andere politieke beïnvloedingswegen als ingezonden brieven schrijven, of op de ‘juiste’ kandidaat stemmen is protest opmerkelijk effectief. Rond 30% van de protesten bereikt op enigerlei wijze het gestelde doel. Waarom juist dié 30%, is één van de andere grote vragen voor sociaal wetenschappers. Één van de redenen is dat protest niet te negeren is. Immers, als burgers het Binnenhof bezetten, moeten politici óf met ze praten óf ze het plein laten afslaan. Politici proberen de opkomt wel te bagatelliseren door te wijzen op het aantal mensen dat niet protesteert. Dit is een misvatting, het rekensommetje van hierboven laat zien dat elke demonstrant 171 verontwaardigde Nederlanders representeert.

Maar je kan het ook omdraaien, als 70% van alle acties geen effect heeft waarom zijn mensen dan toch bereid te protesteren? Naast politiek succes, wordt de media halen, de publieke opinie beïnvloeden, of solidariteit tonen ook als succes gezien. Bij hoog oplaaiende onvrede biedt demonstreren de mogelijkheid verontwaardiging te uiten en woede te ventileren.

Mensen worden gemobiliseerd

Waarom protesteren mensen niét? Hebben ze het soms te goed? Ook hier blijkt het tegendeel, demonstranten zijn zelden diegene die het slechtst af zijn, vaak protesteren mensen die relatief beter af zijn. Bovendien wordt ten tijde van economisch herstel meer gedemonstreerd dan ten tijde van een economische crisis. Ook verwendheid lijkt de lage opkomst niet te verklaren. Demonstranten zijn inderdaad ontevreden, maar dat verklaart niet dat ze gaan protesteren, ze moeten worden gemobiliseerd. Een model gebaseerd op de economische metafoor van vraag en aanbod verduidelijkt dit. De ‘vraag’ wordt gevormd door de mensen die voor een protestactie zijn te mobiliseren. Is de onvrede groot dan zijn veel mensen te mobiliseren. Het ‘aanbod’ bestaat uit organisaties die deze onvrede willen verwoorden en actief demonstranten willen mobiliseren. Daartoe moeten mensen eerst sympathiseren met het doel van de actie. Vervolgens moeten ze weten dat er een actie op komst is, en ze moeten willen en kunnen.

Vraag en aanbod

Dat er protest wordt ‘aangeboden’ is niet vanzelfsprekend. Weer terug naar de anti-oorlogsdemonstratie, dit keer in Spanje waar 2.3 miljoen Spanjaarden de straat op gingen. Evenveel Spanjaarden als Nederlanders waren verontwaardigd, maar…7.1% van hen is gaan protesteren tegen 0.6% van de verontwaardigde Nederlanders. Hoe is dit verschil mogelijk? Één van de mogelijke verklaringen zit aan de aanbodzijde. In Spanje werd de demonstratie georganiseerd door een coalitie bestaande uit tal van grote maatschappelijke organisaties. In Nederland bestond de coalitie uit een aantal kleine linkse organisaties, die eerst ruzie maakten óf een demonstratie wel het juiste middel was en vervolgens ruzie maakten over de slogans. Door iets ogenschijnlijk triviaals als ruziënde activisten verscheen het nieuws over de op handen zijnde demonstratie pas een week van tevoren in de kranten. Het gros van de verontwaardigde Nederlanders hoorde dus pas een week van tevoren dat er een demonstratie zou zijn. Wat de lage opkomst helpt verklaren. In korte tijd moesten ze besluiten of ze wilden en konden demonstreren. Dit bevestigt het vermoeden dat een protestdemonstratie geen impulsieve daad is, maar een evenement waarvoor ‘vraag’ én ‘aanbod’ zorgvuldig op elkaar afgestemd moeten worden.

Dit stuk is afkomstig uit: Van Stekelenburg J. (2011). “Waarom protesteren mensen?” boekhoofdstuk Gamma Canon, Meulenhoff.

All rights reserved | copyright 2015 | gepubliceerd op 28-05-2015