Mannen komen van aarde en vrouwen ook
Auteur: Annemarie van Oosten, MSc.
Annemarie van Oosten is promovenda bij de ‘Amsterdam School of Communication Research’ (Universiteit van Amsterdam). Zij doet longitudinaal onderzoek naar de effecten van seksuele media inhoud (bijv. in videoclips, online pornografie, reality-tv) op de seksuele opvattingen van jongeren, en experimenteel onderzoek naar de verwerking van seksueel expliciet materiaal onder jong volwassenen.

Mannen komen van aarde, en vrouwen ook

Mijn onderzoeksgebied is nogal taboerijk. Het gaat namelijk over pornogebruik onder  jongeren en sekseverschillen. Het laatste is bij de recente ophef over een sekse-stereotype speelgoedfolder weer eens boven water gekomen. Het taboe ligt hier vooral in de discussie over het verschil tussen man en vrouw (of jongen en meisje): in hoeverre bestaat dit verschil?

Deze discussie is mij als wetenschapper niet vreemd. Als ik een artikel schrijf over het effect van muziekclips op seksuele stereotypen bij adolescenten wordt mij vervolgens gevraagd of ik mijn analyses a.u.b. nog even apart voor jongens en meisjes wil draaien. Tot nu toe heeft de focus op sekseverschillen in dit onderzoeksgebied echter nog niet tot heel duidelijke inzichten geleid.

Nu wil ik niet zeggen dat sekseverschillen niet bestaan, noch dat ze niet belangrijk zijn, maar door de focus op het ‘mannen komen van mars, vrouwen van venus’ principe zien we wellicht een belangrijke kwestie over het hoofd. Namelijk dat er binnen seksen ook verschillen bestaan. En dat deze verschillen waarschijnlijk groter zijn dan die tussen seksen.

Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen onderling kunnen verschillen in de mate van hyperfemininity, oftewel hypervrouwelijkheid. Hypervrouwelijke vrouwen kenmerken zich door drie aspecten: 1) ze vinden het van fundamenteel belang om een vriend of man te hebben, 2) ze gebruiken hun uiterlijk en seksualiteit om een man voor hen te winnen en een relatie met hem in stand te houden, en 3) ze accepteren dat mannen in relaties dominanter zijn en vinden dat mannen (seksuele) relaties horen te initiëren. Mannen kunnen op hun beurt weer verschillen in de mate van hypermasculinity, oftewel hypermannelijkheid. De hypermannelijke man kenmerkt zich door een dominante houding ten opzichte van anderen (en dan vooral vrouwen) en een vleugje agressie, ook in seksuele relaties. Met andere woorden: de macho man.

Onderzoek van Neil Malamuth en collegae heeft aangetoond dat effecten van pornografie op acceptatie van seksuele agressie eigenlijk alleen opgaan voor de macho man. Op eenzelfde manier blijkt uit mijn eigen onderzoek dat vrouwen onderling verschillen in hun kritische reactie op pornografie, afhankelijk van hun mate van hypervrouwelijkheid.

Deze verschillen binnen seksen heb ik ook meegenomen in een studie naar het verband tussen online pornogebruik en seksuele onzekerheid onder jongeren. Hierbij bleek dat niet-hypervrouwelijke meisjes wat betreft de relatie tussen pornogebruik en seksuele onzekerheid vooral verschilden van hypervrouwelijke meisjes, maar niet zozeer van de jongens in het onderzoek.

Deze bevindingen had ik nooit kunnen doen wanneer ik alleen naar verschillen tussen seksen had gekeken. Sterker nog, ‘pure’ sekseverschillen in het verband tussen pornogebruik en seksuele onzekerheid kwamen niet voor in deze studie, noch in eerder onderzoek naar dit verband. Misschien is het een beetje taboe, maar ik wil dus graag het volgende concluderen: mannen komen gewoon van de planeet aarde, net als vrouwen. En op deze planeet bestaat variatie, tussen seksen maar zeker ook binnen seksen. Oh ja, en meisjes kijken ook wel eens naar porno. Tabee taboe.

Referenties:

Malamuth, N. M., Hald, G. M., & Koss, M. (2012). Pornography, individual differences in risk and men’s acceptance of violence against women in a representative sample. Sex Roles, 66, 427–439. doi:10.1007/s11199-011-0082-6
Mosher, D. L., & Sirkin, M. (1984). Measuring a macho personality constellation. Journal of Research in Personality, 18, 150–163. doi:10.1016/0092-6566(84)90026-6
Murnen, S. K., & Byrne, D. (1991). Hyperfemininity: Measurement and initial validation of the construct. Journal of Sex Research, 28, 479–489. doi:10.1080/00224499109551620
van Oosten, J.M.F.,  Peter, J., &  Boot, I. (2013, May). Women’s rejection of    sexually explicit material: The role of hyperfemininity and processing style. Interactive poster session at the annual meeting of the International Communication Association, London, UK.

Copyright 2013, all rights reserved | gepubliceerd op 30 november 2013