Het morele boemerangeffect

Auteur: Peter van Dam

Heb je goede bedoelingen, dan kun je maar beter op je hoede zijn. Juist wie verheven idealen verkondigt krijgt te maken met het morele boemerangeffect: hoe hoger je de lat legt, hoe harder je wordt afgerekend op eventuele tekortkomingen. Het effect treft niet alleen personen, maar zeker ook idealistische organisaties. Als we niet uitkijken, creëert dit mechanisme een wereld vol cynische mensen.

Werken hulporganisaties mensensmokkel in de hand?

Afgelopen maand was er veel te doen over de berichten dat schepen van hulporganisaties vluchtelingen niet ver van de Noord-Afrikaanse kust opvisten. Ze zouden op die manier het werk van mensensmokkelaars – onbedoeld of zelfs bewust – gemakkelijker maken. Die hoefden immers geen verre oversteek meer te wagen en konden hun bootjes meteen weer gaan vullen. Het was koren op de molen van critici van humanitaire organisaties. Goede bedoelingen hadden weer eens kwalijke gevolgen en wereldverbeteraars bleken opnieuw hopeloos naïef.

Misschien verbaas je je er over dat juist degenen die iets doen aan de ellende op de Middellandse Zee het mikpunt van kritiek worden. Dit is echter eerder regel dan uitzondering. Wat hier zichtbaar wordt, zou je het ‘morele boemerangeffect’ kunnen noemen: Juist wie de morele lat hoog legt, wordt het hardst afgerekend.

Het boemerangeffect in actie

Bron: Wikipedia

In mijn onderzoek naar de geschiedenis van maatschappelijke organisaties kom ik dit effect om de haverklap tegen. Er zijn verschillende varianten. Allereerst is er de publieke verontwaardiging over idealistische organisaties die tekortschieten. Denk aan de kritiek op ontwikkelingssamenwerking als blijkt dat hulporganisaties met de beste bedoelingen nauwelijks vooruitgang boeken of liever naar hun eigen plannen kijken dan naar de lokale omstandigheden. Nog schrijnender is het als idealisten elkaar onderling de maat nemen. Bijvoorbeeld in de geschiedenis van de fair trade-beweging. Activisten die de positie van mensen in het mondiale Zuiden wilden verbeteren, vochten elkaar bij tijd en wijle de tent uit als het ging over de manier waarop dat moest gebeuren.

Onder wetenschappers is het cynisme over idealisme eveneens gangbaar. In het verleden leidde dat vooral tot weinig aandacht voor de rol van maatschappelijke organisaties. Het ging in de wereld immers niet om wat idealisten probeerden te bereiken, maar om de harde realiteit? Niet om de arbeidersbeweging, maar om de sociaaleconomische indicatoren. Niet om de vredesbewegingen, maar om de besluiten van wereldleiders. De afgelopen jaren is de aandacht voor de rol van organisaties enorm toegenomen. Vaak gaat deze aandacht gepaard met een vinnige toon: kijk eens wat een mooie idealen, kijk eens wat een contrast met de realiteit.

Een onvermijdelijk gevolg?

Als ik zelf over idealistische organisaties schrijf loop ik ook voortdurend tegen deze kwestie aan: Hoe moet ik omgaan met de kloof tussen mooie idealen en de veel minder aantrekkelijke praktijk? Wanneer evident is dat vertegenwoordigers onder het mom van hoge idealen vooral aan hun eigen belang denken, ligt het voor de hand om daar kritisch over te zijn. Ik wil ook niets verbloemen wanneer mooie woorden de plaats innemen van realiteitszin en de gevolgen van het eigen handelen. Veel vaker stuit ik echter op mensen met prachtige idealen en veel inzet, die niet het gewenste resultaat opleveren.

Wie de bal kaatst, mag hem terugverwachten. Wie de morele lat hoog legt, mag ook op die pretenties worden afgerekend. Maar hoe doen we recht aan de idealen en de inzet? Zijn die waardeloos als ze geen tastbaar resultaat opleveren? Denk nog maar eens terug aan de eerder genoemde controverse: hoe moet je oordelen over mensen die zich inzetten om het leven van bootvluchtelingen te redden, zelfs als ze daarmee mensensmokkelaars onbedoeld in de hand werken?

In kerkelijke kringen – waar idealen en praktijk vaak ook ver uit elkaar liggen – hoor je wel eens het gezegde dat we God niet op zijn grondpersoneel moeten aankijken. Met andere woorden: verwar de uitvoering niet met het ideaal. Zijn de tegenvallende resultaten het gevolg van een misplaatst ideaal, van een haperende uitvoering, of van onvoorziene omstandigheden? Zoveel nuance verdient ieder oordeel over idealistische organisaties. Waar die nuance ontbreekt, lopen we het gevaar waardevolle idealen en bewonderenswaardige inzet in diskrediet te brengen.

Het morele boemerangeffect blijft een onvermijdelijk gevolg van hooggestemde idealen. Maar wat willen we liever: mensen met idealen die in de praktijk soms tekort schieten, of cynici die niet eens proberen om de wereld een iets betere plek te maken?