Musea en de kunst van de ‘kapstokjes’

Door: Ina ter Avest

Hallah, leerlinge van een basisschool in Ede, is – in het kader van kunstonderwijs – met haar klas naar het Kröller Müller Museum in Otterlo geweest. Als ik haar vraag naar haar ervaringen vertelt Hallah over de fietstocht op de witte fietsen vanaf de ingangspoort naar het museum, en dat haar juf de weg terug niet kon vinden, en dat een van de jongens uit haar klas van de fiets was gevallen en dat ze toen heel hard moesten lachen omdat hij zo’n gek gezicht trok. Toen ik doorvroeg naar wat ze gezien had in het museum, vertelde ze dat ze een heel saaie film over een hert gezien hadden, en dat ze met haar vriendinnen toen de slappe lach kreeg, en dat haar juf toen boos werd. De naam Van Gogh riep niets bij Hallah op. Wat ging er nou mis bij dit museumbezoek? Hoe kwam het dat voor Hallah de fietstocht, een klasgenoot die viel en gegiechel tijdens een saaie film haar levendig voor de geest staan, maar de kunstwerken van Van Gogh niet?

De ontmoeting met kunst, stelt prof. dr. Hans Alma (Universiteit voor Humanistiek), bouwt aan de ene kant voort op bestaande ervaringen met concrete belangrijke anderen, en stimuleert aan de andere kant het overstijgen van het eigen perspectief (zie ook deze blog). In een pluriforme samenleving impliceert het overstijgen van het eigen perspectief het kunnen inbeelden in vele anderen. Dat vraagt volgens Alma om een naar buiten gerichte blik, een ontvankelijkheid voor ‘het andere’, in dit geval ‘het andere’ in de kunst. Het vraagt ook om een bepaalde taal om geziene of gehoorde kunst in te kunnen passen in de eigen ervaringen. “Wie over geen enkele categorie beschikt om het geziene of gehoorde in te passen, doet geen ervaring op (Alma 1998, 306). In kort bestek lijkt hiermee (de voorbereiding voor) goed kunstonderwijs verwoord.

Goed kunstonderwijs

Bron: Ina ter Avest

Wat weten we eigenlijk van ‘goed kunstonderwijs’? Over onderwijs in het algemeen heeft de Groningse wijsgerig pedagoog Wilna Meijer een lezenswaardig boekje geschreven: ‘Onderwijs, weer weten waarom’. Zij ziet als belangrijkste taak van het onderwijs de vorming van kinderen en jonge mensen.

Het vertrekpunt van Wilna Meijer is de didactische driehoek: leerkracht, leerling, en ‘het vak’ en de traditie van dat vak. ‘Het gaat erom leerlingen in zo’n traditie te initiëren, uit te nodigen eraan deel te nemen’, schrijft Meijer (Meijer 2013, p. 89). Leerkracht en leerling participeren samen in die traditie, in dit geval de traditie van kunst zoals verzameld in het Kröller Müller museum. Vragen stellen is daarbij voor Meijer cruciaal. ‘Wat zie je?’, ‘Wat denk je ervan?’, ‘Wat voel je erbij?’, ‘Welke herinnering roept het bij je op?’, ‘Waar breng je het mee in verband?’ Meijer gaat er vanuit dat elk kind op zulke vragen kan reageren, of in ieder geval dat kan leren: elk kind kan zien, kan spreken, kan aanwijzen, kan herinneren, kan verbanden leggen, in elk kind zit ‘het vermogen van het zien, en van het aandacht hebben voor wat je ziet en wat je zegt’ (ibid., p. 85).

Een voorbeeld van uitnodigend initiëren in de traditie van de kunst is te zien in de video ‘I can see a woman crying’ van Rineke Dijkstra.[1] In deze video toont zij de kracht van vragend onderwijzen en aandachtig (leren) waarnemen. Dijkstra blijkt daarnaast in staat om de kijker in dat proces mee te nemen. Als vanzelf blijf je stilstaan bij deze beelden, en laat je je meenemen op de golven van de verschillende manieren waarop kinderen zichzelf bevragen op wat zij zien en wat de kunst? bij hen oproept, en hoe ze op elkaar reageren. Dijkstra heeft de kinderen door het oog van haar camera aandachtig waargenomen en zij heeft zich via haar lens door deze waarnemende kinderen laten raken, wat op zijn beurt de kijker van de video raakt. Verrassende beelden waarvan je je ogen niet af kunt houden. Het enige wat je nog kunt is zien – niet te verwarren met ‘kijken’. Dijkstra laat zien hoe kinderen betekenis geven aan wat zij tegenkomen in hun leven: ver-beeld-ingen. Zij gunt zichzelf en daarmee ook ons een blik in de ziel van deze kinderen.

Hallah en kunst

Bron: Ina ter Avest

Terug naar Hallah. Hallah is leerlinge van een basisschool in de gemeente Ede. Haar ouders behoren tot de tweede generatie migranten en zijn woonachtig in Ede. Binnen de gemeente Ede bevindt zich het Kröller Muller museum – een museum dat ver over de landsgrenzen beroemd is vanwege zijn Van Gogh collectie. Een museum dat jaarlijks bijna 400.000, zowel Nederlandse als buitenlandse bezoekers trekt. Daarnaast ontvangt het museum elk jaar bijna 6.000 scholieren uit het basisonderwijs en bijna 30.000 leerlingen uit het voortgezet onderwijs. In Nederland maken ruimt 150 basisscholen gebruik van de Schoolkaart van het Kröller Müller museum – een kaart waarmee een basisschool een jaar lang het museum kan bezoeken.

Het Kröller Müller museum heeft zelfs de Museumeducatie-prijs ontvangen voor de Digitale scheurkalender ‘Elke dag kunst’. Op een interactieve en creatieve manier verbindt deze scheurkalender kunstwerken uit de museumcollectie met gebeurtenissen uit de lokale geschiedenis. Het Filosofeerteam van het museum begeleidt leerkrachten bij de voorbereidingen op het bezoek met hun klas aan het museum. En toch … voor Hallah vormde niet één van de beroemde kunstwerken het hoogtepunt van het klassenuitje.

Zomaar een kijkje in materiaal op de website van onder andere het Kröller Müller Museum, het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Gemeente Museum in Den Haag geeft een verrassende kijk op de wereld van de ontwikkelaars van de educatieve programma’s van musea. Daarbij blijkt de blik van de ontwikkelaars opvallend ‘wit’.

Op de site van het Kröller Müller Museum zie we foto’s van ‘witte’ kinderen. Er is een video met de naam van Fahed als hoofdrolspeler, die de kijker meeneemt in zijn ontdekkingstocht naar wie Vincent van Gogh was. Dat lijkt op aandacht voor diversiteit, maar in die video wordt de blik niet gericht op de verscheidenheid aan opvattingen wat betreft het maken van afbeeldingen van personen.

Zo zie je bij het Stedelijk Museum in Amsterdam foto’s op de website van kinderen met verschillende etnische achtergronden. In één van de foto’s bij het programma voor het basisonderwijs (over De Stijl) zijn kinderen afgebeeld die tegen elkaar aanliggen op een Mondriaan-achtige ondergrond. De toelichting bij dit programma geeft geen informatie of er rekening is gehouden met schoolculturen die fysiek contact tussen jongens en meisjes als ongewenste intimiteit beschouwen.

De site van het Gemeente Museum Den Haag heeft foto’s opgenomen van een ‘veelkleurige’ groep kinderen. In de toelichting bij de docentenhandleiding gaat het over het belang van kunstonderwijs, maar niet over de verschillende manieren waarop kunst een plaats heeft in verschillende culturen. Veel aandacht is er bij de musea uit deze kleine steekproef voor het educatieve aspect van een museumbezoek, er wordt veel moeite gedaan om aan te sluiten bij verschillende leeftijdsgroepen, maar toch mist er soms wat. Kennelijk hebben al deze museale inspanningen niet tot het gewenste doel geleid – althans niet bij Hallah en haar vriendinnen waarvoor het aanbod in kunstonderwijs en de manier waarop zij dit deden zeer waarschijnlijk onvoldoende aansloot bij hun culturele ervaring.

De kunst van leerkrachten

Misschien is dat wat er miste toen Hallah naar het Kröller Muller Museum ging. Zij had nog geen ‘kapstokjes’ gevonden en was niet bevraagd op wat zij in haar eigen leven had ervaren, noch op waar zij naar keek. Zij kreeg niet de kans haar eigen leven te verbinden met wat ze in het museum zag en heeft dus niets gezien.

De musea zouden zich daarom (nog) meer kunnen richten op de leerkrachten. Goed kunstonderwijs zit hem, zo lijkt het, voor een heel groot deel in de voorbereiding. Allereerst is het van belang dat een leerkracht de leerlingen begeleidt in de bewustwording, verwoording en bevraging van het vanzelfsprekende van de eigen alledaagse ervaringen – op een abstracter niveau gecategoriseerd in begrippen. Ervaringen die verschillen per kind; zoveel kinderen, zoveel ervaringen! De begrippen vormen de ‘kapstokjes’ waaraan kunst zich kan hechten. Voor leerkrachten is het een kunst leerlingen die kapstokjes te laten ontdekken en verwoorden Als leerkrachten vervolgens zèlf de betekenis van hun eigen kapstokjes hebben ervaren, en zèlf hebben ontdekt wat een ontmoeting met een kunstwerk teweeg brengt, bij zichzelf en bij anderen; als zij zèlf hebben meegemaakt wat een diversiteit aan mogelijke betekenissen oproept; als zij zèlf het eigen perspectief hebben kunnen overstijgen – dàn kunnen zij in de klas ook hun leerlingen enthousiasmeren om de ruimte van ver-beeld-ing te betreden, de ruimte van de kunst. Die kunst hoeft zich dan alleen nog maar te hechten aan de ‘kapstokjes’ om betekenis te krijgen in het leven van de leerlingen. Goed kunstonderwijs houdt in dat musea leerkrachten ‘de kunst van de kapstokjes’ leren.

———

Referenties:

Alma, H. (1998). Identiteit door verbondenheid. Kampen: Uitgeverij Kok Kampen.

Alma, H. (2015). De parabel van de blinden. Utrecht: Oratie Universiteit voor Humanistiek.

Dijkstra, R. (2010). I can see a woman crying. video.

Jaaroverzicht 2015 Kröller Möller Museum

Meijer, Wilna A.J. (2013). Onderwijs, weer weten waarom. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

websites van de genoemde musea

[1] Rineke Dijkstra’s video ‘I can see a woman crying’ is te zien op youtube. Deze video toont Britse leerlingen van een kunsteducatie-klas die filosoferen bij het kijken naar Picasso’s schilderij ‘De wenende vrouw’. Het werk zelf is voor ons niet zichtbaar. De kinderen lijken te reageren op vragen van iemand die buiten beeld blijft. Ze noemen hun observaties, associaties en veronderstellingen naast elkaar.