Religie: Van alle tijden?

Auteur: Peter van Dam

De aandacht voor religie is de afgelopen jaren enorm toegenomen. Die aandacht neemt vele vormen aan. De ophef over de islam leidde tot een vaak niet erg verheven debat. Ondertussen bleven veel mensen met minder bombarie op zoek naar zin, of ze die nu vonden bij zenboeddhisme, pinkstergemeente of traditionele kerk. Ook de geschiedenis van religie trok de afgelopen tijd letterlijk en figuurlijk veel bekijks. Nu de Reformatie zo’n vijfhonderd jaar oud is, grijpen musea, tijdschriften en televisiemakers de jubilea van prominente figuren en gebeurtenissen aan om deze geschiedenis opnieuw onder de aandacht te brengen. Reformatoren als Johannes Calvijn en Maarten Luther stonden al volop in de aandacht en komend jaar valt de Synode van Dordrecht (1618-1619) dezelfde eer ten deel.

Maar hoe leg je aan het publiek uit waar het Luther en Calvijn om te doen was? Hoe kun je mensen interesseren voor de onderwerpen die tijdens de Synode van Dordrecht op de agenda stonden? Toen ik onlangs begon met het schrijven van een inleiding over de geschiedenis van religie in Nederland (die bij Amsterdam University Press als Elementair Deeltje zal verschijnen, zie www.elementairedeeltjes.nl), was die vraag plotseling zeer relevant. Hoe we religieuze onderwerpen presenteren is immers bepalend voor de manier waarop het gesprek over religie in de maatschappij gevoerd wordt.

Synode van Dordrecht – bron: Wikimedia

In het verleden werd kennis over religiegeschiedenis bij het geïnteresseerde publiek vaak bekend verondersteld. Historici, conservatoren en programmamakers gingen ervan uit dat de bezoekers van tentoonstellingen over religieuze thema’s en de lezers van boeken over religiegeschiedenis afkomstig waren uit de gepresenteerde religieuze gemeenschappen. Een dergelijk publiek hoefde ook niet overtuigd te worden van het belang van religieuze thema’s. Tegenwoordig kunnen conservatoren en historici niet meer uitgaan van de kennis over religie en de overtuiging dat religieuze onderwerpen er toe doen. Dat is trouwens maar goed ook. Tentoonstellingen, films en publicaties die voorkennis en interesse niet vooronderstellen kunnen een veel breder publiek bereiken. Juist nu de islam zo’n controversieel onderwerp is en ook de kennis over andere godsdiensten beperkt is, biedt religiegeschiedenis een kans om onderling begrip te bevorderen.

Maar hoe kunnen we een niet bij voorbaat betrokken publiek voor religie interesseren? Geschiedenis is grofweg om twee tegengestelde redenen aantrekkelijk: ten eerste omdat we ons er in kunnen herkennen en ten tweede omdat we er een volkomen andere wereld in kunnen ontdekken. Meestal proberen we het publiek voor historische onderwerpen te winnen door het herkenbare te benadrukken. Door aan te sluiten bij de eigen leefwereld van potentiële bezoekers en lezers hopen we ze ervan te overtuigen dat geschiedenis hen aangaat. Een mooi voorbeeld daarvan was de test die het dagblad Trouw haar lezers naar aanleiding van het Calvijn-jaar voorlegde om hun eigen ‘C-factor’ te bepalen. Aan de hand van een reeks vragen konden deelnemers bepalen hoe calvinistisch zij waren. Voor de deelnemers kreeg Calvijn betekenis door zijn leven en werk naar een eigentijdse levenshouding te vertalen, waarin mensen zich meer of minder konden herkennen.

Ook door het vreemde of exotische te beklemtonen kan het publiek voor een onderwerp gewonnen worden. De belangstelling voor Trix de tyrannosaurus de afgelopen maanden in museum Naturalis bewijst die aantrekkingskracht eens te meer. Toch aarzelen we vaak om deze kant van het verleden op de voorgrond te plaatsen. Het doet immers de relevantie van het verleden geen recht? Geschiedenis heeft ons toch meer te zeggen dan een verzameling curiositeiten, waar we ons over kunnen verbazen of waar we van kunnen gruwen?

In het wetenschappelijke denken over de geschiedenis van religie is op dit punt lange tijd een duidelijk verschil gemaakt. Religie na de Franse Revolutie beschouwden historici als een modern fenomeen, dat een voor ons herkenbaar karakter heeft. Religieuze fenomenen uit eerdere periodes daarentegen beschouwden veel historici als dusdanig verschillend van ‘moderne’ religie, dat de vreemde elementen voorop moesten staan. Het was zelfs de vraag of de term ‘religie’ wel van toepassing moest zijn op deze vroegere verschijningsvormen. De afgelopen jaren is echter ook in de religiegeschiedenis steeds meer kritiek op de veronderstelling van een breuk tussen voormoderne en moderne tijd. Daarom staat ook voor historici de deur wagenwijd open om voorrang te geven aan de herkenbare elementen in de religiegeschiedenis.

Hopelijk beschouwen we dit niet als kans om religie als een constante factor in het menselijk leven te presenteren. Als we vooral op zoek gaan naar het herkenbare, pikken we alleen die elementen uit de geschiedenis die aansluiten bij het heden. Dat doet af aan de rijkdom van die geschiedenis en ons historisch begrip. Dat we de Statenvertaling van de Bijbel uit de 17de eeuw nog altijd kunnen lezen en waarderen betekent niet dat die door mensen in de 17de eeuw op dezelfde manier werd gelezen.

Om de oude wereldzee – bron: Wikimedia

Veelbelovender is in mijn ogen de benadering die onder meer te zien was in de tentoonstelling Heilig Schrift over Tenach, Bijbel en Koran in Museum Catharijneconvent en de televisieserie ‘Om de oude wereldzee’, waarin George Harinck in de voetsporen van Abraham Kuyper rond de Middellandse Zee reist en in gesprek gaat met het reisverslag dat Kuyper over zijn reis schreef. Beide zoeken nadrukkelijk aansluiting bij de leefwereld van het publiek door het eigentijdse belang van de heilige boeken en de huidige situatie in de mediterrane wereld in beeld te brengen. Ze proberen de overeenkomsten en verbindingen vervolgens te gebruiken om een dialoog met het verleden mogelijk te maken. Door heden en verleden niet aan elkaar gelijk te stellen, maar met elkaar te vergelijken, komen ook de verschillen duidelijk naar voren.

‘The past is a foreign country: they do things differently there’, schreef L.P. Hartley ooit prachtig. Gelukkig wonen in dat vreemde land meer bekenden dan we denken. We moeten weliswaar moeite doen om er te komen en er iets van te begrijpen. Zelfs als dat lukt, zal het wel nooit helemaal ons eigen land worden. Maar wie gaat er ondanks de moeite niet graag eens met vakantie over de grens?

——-

Meepraten? Schuif aan bij de sessie ‘Religie: Van alle tijden?’ op tijdens de Historicidagen in Utrecht op 25 augustus met Marianne Eekhout (Dordrechts Museum), Tanja Kootte (Museum Catharijneconvent), Fred van Lieburg (Vrije Universiteit Amsterdam), Mart Rutjes (Universiteit van Amsterdam) en Jo Spaans (Universiteit Utrecht). Zie: https://historicidagen.sites.uu.nl/