Opvoeders tegen wil en dank

Opvoeders tegen wil en dank. Democratie en burgerschapsvorming in Nederland

Auteur: Dr. Wim de Jong

Wim de Jong is docent aan de afdeling geschiedenis van de RU in Nijmegen. Hij promoveerde in 2014 op ‘Van wie is de burger? Omstreden democratie in Nederland, 1945-1985’. Hij legt momenteel de laatste hand aan ‘Heer en meester. Het protestants-christelijk onderwijs op zoek naar zijn eigenaars, 1879-2017’, dat in 2017 zal verschijnen.

Sinds de eeuwwisseling wordt de krantenlezer regelmatig opgeschrikt door pleidooien om incompetente kiezers, die ‘ongeïnformeerde’ stemkeuzes maken, een test te laten ondergaan alvorens hun stem uit te mogen brengen. Het is niet toevallig dat daar niet naar wordt geluisterd. Fundamenteel aan de democratie is namelijk dat het niet relevant is wat een ander van iemands politieke keuzes vindt. Iedere burger mag naar eigen inzicht tot een beslissing komen, omdat ‘de democratie’ letterlijk van niemand is. Pas als iemand gaat claimen meer dan anderen te mogen bepalen hoe de democratie moet worden vormgegeven, houdt zij op te bestaan. Het geeft te denken dat stemexamens traditioneel zijn gebruikt om bijvoorbeeld arbeiders en zwarte Amerikanen buiten het stemhok te houden.

Omstreden democratie

In de jaren nul startte er een groot onderzoeksproject getiteld ‘Omstreden democratie’. De spannendste manier om uit te leggen wat met die omstredenheid wordt bedoeld, is door democratie zoals hierboven te beschouwen als fundamenteel omstreden. Eindeloos is er al over het onderwerp gebakkeleid en dat moet ook. Toch is er ook een probleem met deze benadering van democratie. Nee, we mogen niemand uitsluiten, maar we kunnen er ook niet zomaar vanuit gaan dat iedereen weet hoe de democratie werkt en hoe je je als democratisch burger kunt en moet gedragen. Moet de democratie haar burgers niet opvoeden, al is het maar om op de lange duur in stand te blijven? Maar wie is er dan verantwoordelijk voor het bijbrengen van democratisch burgerschap? De staat, het gezin, school, of misschien verenigingen zoals de scouting? Het zijn prangende vragen. Het project Omstreden Democratie is namelijk ook ontstaan vanwege zorgen over het functioneren van de democratie in deze eeuw, rondom apathie en woede van burgers.

Politieke opvoeding in Nederland

De problematiek rondom democratisch burgerschap is ook het uitgangspunt van mijn proefschrift. Hierin wordt de geschiedenis van de politieke opvoeding in Nederland beschreven vanaf de Tweede Wereldoorlog tot aan het midden van de jaren tachtig.

Toen de Duitse bezetting voorbij was en het IJzeren Gordijn zich langzaam sloot, was er een groot besef onder Nederlandse elites dat de democratie een zeer kwetsbaar goed was, dat ternauwernood was hersteld en vanuit Oost-Europa werd bedreigd. De elite van toen geloofde dat er een ‘actieve cultuurpolitiek’ vanuit de staat nodig zou zijn om een democratische burger te scheppen die aan een sterk en saamhorig Nederland vorm zou geven. Nederlanders zouden dan wel de beslotenheid van ‘de zuilen’ moeten verlaten. Tegenover die groep stonden echter vele sceptici die vreesden dat zo’n eenheidscultuur precies datgene om zeep zou helpen dat zij wilde redden: de democratie. Religieuze groepen zoals orthodoxe protestanten en katholieken, maar juist ook progressieve socialisten, waren eerder voor pluriformiteit, een samenleving waarin alle groepen hun eigen definitie van democratie konden hanteren. Ook in het parlement moesten de vele stemmen van het volk worden gehoord, waardoor we nu nog steeds een ‘evenredig’ kiesstelsel hebben.

Over één ding was men het tijdens de wederopbouw eens: de massa moest worden opgevoed, al waren ze het dus oneens over wie dat moest doen en waartoe. Maar ook hier kwam verandering in vanaf de jaren zestig. De studentenbeweging, de vredesbeweging en vele anderen wilden van de ‘bevoogding’[1] af. De burger moest worden ‘gedekoloniseerd’, het juk van elites die deze vertelde hoe te denken moest worden afgeschud. In dit roerige tijdperk ontstonden er grofweg twee manieren om hiermee om te gaan: Radicale actievoerders wilden burgers actief gaan ontvoogden en bewust maken van allerlei democratische zaken, en leren op te komen voor hun democratische rechten. Progressieve liberalen vonden daarentegen al gauw dat dit zijn eigen bevoogdende kanten had. Is het wel democratisch om andere mondige individuen te vertellen hoe ze democraat moeten zijn? Vanaf de jaren tachtig ontstond er op deze manier een interessante paradox. Nederland ontwikkelde een dominante liberaal-progressieve cultuur, die wars was van ‘betutteling’. De paarse kabinetten van de jaren negentig waren hiervan het hoogtepunt. Tegelijk is niets zo betuttelend als mensen te vertellen dat ze zich door niemand meer mogen laten vertellen hoe het moet.

Willen we niet allemaal opvoeden?

De visies die hier in vogelvlucht voorbij zijn gekomen hebben gemeen dat ze alle uiteindelijk een beeld hebben van hoe de burger democratisch opgevoed dient te worden, en hierdoor op hun eigen manier allemaal bevoogdend zijn. Wie niet wil opvoeden voedt uiteindelijk ook op, en betutteling van de ene of andere soort is daardoor onvermijdelijk. Wel is er een eindeloos debat over mogelijk. Dat moeten we ook koesteren: pas als de discussie stopt, is het einde van de democratie nabij. Een goed beargumenteerde vorm van bevoogding is onvermijdelijk, zelfs wenselijk. We zouden geen onderwijssysteem hebben zonder. Zolang bevoogden maar niet bepalen wordt.

[1] In de woorden van de onlangs overleden journalist H.J.A. Hofland

—-

Copyright 2016 | all rights reserved | Gepubliceerd op: 14-09-2016