Fairtrade publiek maken

Auteur: Wouter Mensink

Winkels zijn stemhokjes geworden. We hebben een beurs vol euro’s en elke euro is een stem waard. Dit heet consumentensoevereiniteit, het idee dat autonome consumenten de hoogste autoriteit zijn op de markt. Een soort scheidsrechters. Wij moeten met onze keuzes het aanbod bijsturen. Producten boycotten die we niet willen, producten buycotten die we wel willen.

Hoe werkt zo’n keuze? De 18e-eeuwse verlichtingsfilosoof Adam Smith bekijkt het alsof we toeschouwers zijn van het lijden van anderen. De Engelse politiek econoom Patrick Watson paste zijn ideeën toe op fairtrade. We weten dat er fabrieksarbeiders worden uitgebuit om onze kleren te maken. Ze hebben onder ons te lijden en wij kijken toe. Volgens Adam Smith is er nog een tweede toeschouwer, een denkbeeldige, die over onze schouder meekijkt. Een vriend misschien, waarvan we ons afvragen of die zal vinden dat we de juiste keuzes maken.

Smith ging uit van lijden dat we met onze eigen ogen zien. Mondialisering was toen nog minder alomtegenwoordig. Wij hebben meer te maken met problemen aan de andere kant van de wereld, al kunnen we ze zelden met eigen ogen zien. Het gaat om lijden op afstand. Maar daar is ook een oplossing voor: allerlei media stellen ons in staat om nog steeds toeschouwers te zijn. Reportages geven ons een kijkje in de fabrieken in Bangladesh.

Wat gebeurt er als onze ‘blik’ op die manier wordt gemedieerd? Zijn we dan nog autonoom? Consumentensoevereiniteit is niet vanzelfsprekend. Markten zijn doelbewust ingericht. We hebben de klant als koning – nooit als koningin – op een troon geplaatst, en hem tools gegeven voor zijn scheidsrechterrol. Keurmerken tonen welke producten duurzaam zijn en er zijn apps als je geen keurmerk kunt vinden. Consumentenprogramma’s op TV creëren sinds de jaren ’60 een cultuur van kritische consumptie. Ook de overheid helpt. Websites als KiesBeter.nl helpen om goede zorg te kiezen. Er is zelfs een Autoriteit Consument en Markt die vecht voor ons recht op verkeerde keuzes, zoals we in de discussie over de plofkip zagen. We kunnen de consument beter als construct beschouwen, gevormd door allerlei externe omstandigheden.

Consumentensoevereiniteit brengt bepaalde problemen met zich mee. De effectiviteit van dit model is beperkt. Ondanks alle hulp maken consumenten graag gebruik van hun recht op de verkeerde keuze. Het ‘keurmerkenoerwoud’ strooit ons zand in de ogen. Erger is dat bedrijven geen stap hoeven te verzetten als consumenten niet de juiste keuzes maken. Zo leg je te veel verantwoordelijkheid bij de consument.

We hebben van duurzaamheid te veel een indvidueel probleem gemaakt. Laten we het publiek maken. De Amerikaanse filosoof John Dewey keek in de jaren ’20 naar groepen mensen die samen geconfronteerd worden met de consequenties van een bepaald probleem. Zo’n groep mensen noemde hij een publiek. Zo’n publiek zou zich kunnen organiseren om iets aan het probleem te doen. In de documentaire We want to be sweat free zien we hoe Amerikaanse studenten erachter komen dat de sweater van hun universiteit uit sweatshops komt. Ze bezetten het bestuursgebouw van hun universiteit om het bestuur te overtuigen om de sweaters alleen door ethische bedrijven te laten leveren. Ze zetten zich in voor wat William Low en Eileen Davenport een ‘ethische ruimte’ noemen: een ruimte – de campus – waarin bepaalde morele ideeën gelden. Zo zijn er wereldwijd nu ook meer dan 1800 ‘fair trade towns’, steden of dorpen die uit eigen beweging aan bepaalde criteria voldoen over eerlijke handel.

Ook kan het publiek debat nog beter. De media laten nu vooral zien hoe we beter kunnen worden in onze rol als consument: welke producten moeten we boycotten? Welke keurmerken kunnen we het beste volgen? Media zouden juist ook ter discussie kunnen stellen of het überhaupt goed is om mensen vooral in hun rol als consument te benaderen. We denken dat fairtrade een verzet tegen het neoliberalisme is, maar is dat zo? Een vraag die de Sloveens filosoof opwerpt is of de kritische consument niet de ultieme neoliberaal is. Hij probeert immers via de ‘vrije’ markt tot eerlijke handel te komen. Het is een economische oplossing voor een moreel probleem.

Soms kan er echt wel een omslag zijn. We kunnen ons nu ook niet meer voorstellen dat persons of color in Amerika vroeger niet mochten zitten in de bus. Je hoopt dat we ooit zullen zeggen: weet je nog dat er vroeger winkels waren waar je kleren kon kopen waarvan je wist dat er mensen voor werden uitgebuit?

Referenties

  • Dewey, J. (1954 (1927)). The public and its problems. Athens: Swallow Press / Ohio University Press.
  • Low, W. en Davenport, E. (2007). To boldly go… exploring ethical spaces to re-politicise ethical consumption and fair trade. In: Journal of Consumer Behaviour, jg. 6, nr. 5, p. 336-348.
  • Watson, M. (2007). Trade justice and individual consumption choices: Adam smith’s spectator theory and the moral constitution of the fair trade consumer. In: European Journal of International Relations, jg. 13, nr. 2, p. 263-288.
  • Žižek, S. (2009). First as tragedy, then as farce. New York: Verso Books.

Foto door: Patrick Post

Wouter MensinkDr. Wouter Mensink (1979) studeerde bestuurskunde aan de Universiteit Twente en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde aan de Universiteit Leiden op een proefschrift over het beleidsdiscours over de relatie tussen patiënt en technologie. Momenteel is hij werkzaam voor het Sociaal en Cultureel Planbureau. In 2015 verscheen zijn boek: Kun je een betere wereld kopen? De consument en het fairtrade complex (Boom Filosofie).