Het gevaar van succes: hoe de opmerkelijke opmars van fair trade de beweging in het nauw drijft

Auteur: Peter van Dam

‘Keurmerk helpt arme boeren nauwelijks’, kopte dagblad Trouw onlangs. Uit een onderzoek van SOMO bleek dat werknemers op plantages niet altijd beter af waren als hun plantage kon bogen op een fair trade-keurmerk. De lonen en arbeidsomstandigheden van werknemers op plantages waren soms zelfs beter bij bedrijven die geen keurmerkproducten leverden. Voor NOS.nl reden genoeg om te stellen ‘dat de keurmerken niet doen wat ze nastreven’.

Het opvallende succes van de beweging voor eerlijke handel heeft de afgelopen jaren ook een onophoudelijke stroom aan kritiek veroorzaakt. De beweging slaagt er sinds de jaren zestig in het onderwerp eerlijke handel onder de aandacht van politici, bedrijven en burgers te brengen. Aanvankelijk deden activisten dat vooral met ludieke acties, demonstraties of door enkele symbolische producten te verkopen. Sinds het einde van de jaren tachtig nam de verkoop van eerlijke producten een enorme vlucht door de introductie van koffie met een fair trade-keurmerk. Al gauw volgden andere gecertificeerde producten als bananen, chocola en spijkerbroeken.

Kwetsbaar

Het succes van de keurmerkbenadering maakte de beweging voor eerlijke handel echter ook kwetsbaar voor kritiek. Door de introductie van nieuwe producten kwamen nieuwe producentengroepen in het vizier van de beweging. Om bijvoorbeeld fair trade-spijkerbroeken te kunnen verkopen, was niet alleen eerlijk geproduceerde katoen nodig. Ook kledingfabrieken gingen deel uitmaken van de keten. Wanneer was zo’n fabriek eerlijk? Daarover verschilden de meningen binnen de beweging sterk: de Schone Kleren Campagne hanteerde bijvoorbeeld veel strengere eisen dan de internationale keurmerkorganisatie achter gangbare fair trade-keurmerken.

Achter de ophef over de lonen van werknemers op plantages gaat een vergelijkbaar probleem schuil. Tot in de jaren tachtig hadden plantages nauwelijks plaats in het denken van eerlijke handelsactivisten. Ze kwamen op voor linkse staten als Algerije of Nicaragua en voor coöperaties waarin kleine boeren samenwerkten. Plantages waren daarentegen verdacht, omdat ze in handen waren van grootgrondbezitters en grote bedrijven. Met zulke ‘kapitalisten’ wilden de meeste activisten niets te maken hebben. Het succes van de keurmerkbenadering maakte het echter aantrekkelijk ook plantages te betrekken. Zo konden nieuwe producten als thee en bananen verkocht worden en konden ook werknemers in deze branches misschien meeprofiteren van het succes.

De geijkte werkwijze van de activisten was echter niet toegesneden op dergelijke plantages. Bij het zakendoen met coöperaties stond nooit ter discussie bij wie het geld terechtkwam, omdat in coöperaties alle betrokkenen normaal gesproken meeprofiteren. Bij plantages ligt dat anders. Daar komt geld niet automatisch bij de werknemers terecht. Hoewel de keurmerkorganisaties dat probleem al vroeg herkenden, bleek het moeilijk om passende richtlijnen op te stellen en te handhaven.

Aantrekkingskracht

Het succes van fair trade-keurmerken had ook tot gevolg dat bedrijven betrokken raakten die geen principiële voorstanders van eerlijke handel waren. Dat was eigenlijk goed nieuws. De initiatiefnemers van het Max Havelaar-keurmerk dat in 1988 het levenslicht zag, hadden de hoop dat ze met een keurmerk effectiever druk konden uitoefenen op politiek en bedrijven door de vraag van consumenten in de vorm van een marktaandeel zichtbaar te maken. Vanaf de introductie lukte het daadwerkelijk om bedrijven als Albert Heijn te betrekken, ondanks de twijfels die zij hadden over de doelstellingen en werkwijze van de activisten.

De aantrekkingskracht van de keurmerkbenadering leidde zo tot een verwarrend aanbod aan concurrerende keurmerken en druk op de gehanteerde criteria. De deelname van bedrijven die niet intrinsiek overtuigd waren van de doelstellingen van de activisten zorgde ervoor dat er voortdurend onderhandeld moest worden. Waren de gehanteerde criteria niet te streng? Maakten ze producten niet nodeloos duur? De keurmerkorganisaties waren gedwongen om steeds opnieuw een balans te vinden tussen het vergroten van de omzet en het handhaven van geloofwaardige criteria.

bron: Wikimedia

Bovendien ontstonden allerlei nieuwe keurmerken doordat allerlei bedrijven en actiegroepen het succes van keurmerken onderkenden, maar andere criteria wilden hanteren. Het gevaar van een race to the bottom tussen verschillende keurmerken werd daardoor reëel. Grote bedrijven konden immers druk uitoefenen op keurmerken om hun criteria aan te passen, omdat de keurmerken met het oog op de aangesloten producenten en hun eigen relevantie gebaat waren bij een grote omzet. Hoe moeilijk het is om die keurmerken uit elkaar te houden, bleek uit het feit dat in de berichtgeving over het SOMO-rapport de conclusies over het uiteenlopende succes van verschillende keurmerken weinig aandacht kreeg.

De toename van het aantal deelnemende producenten en bedrijven maakte het bovendien moeilijker om toe te zien op de praktijk. Tot in de jaren tachtig was het aantal betrokkenen bij eerlijke handel nog tamelijk overzichtelijk. Activisten, importeurs en producenten hadden vaak hechte onderlinge relaties. Nu veel meer spelers betrokken raken, is het moeilijker om het overzicht te behouden. Bovendien zijn sommige betrokkenen niet intrinsiek gemotiveerd om bij te dragen aan de doelstellingen van de beweging. Die situatie vraagt dus om nieuwe manieren om te garanderen dat de betrokkenen fair trade in de praktijk brengen.

Ook in dit geval moeten de keurmerkorganisaties een balans vinden tussen toereikende controle en een betaalbare aanpak. Controleren is duur, terwijl het voor de producenten cruciaal is dat er zoveel mogelijk verkocht kan worden. Ondanks de aanhoudende groei van de verkoop van eerlijke handelswaar blijft namelijk één van de grootste problemen dat veel gecertificeerde producenten niet al hun producten via fair trade-kanalen kwijt kunnen.

Groeipijn

De kritiek op de fair trade-keurmerken is zo bezien de groeipijn van een opvallend succesvolle beweging. De positie van werknemers op plantages en de druk op criteria en handhaving zijn immers het gevolg van de expansie van deze benadering. Anders dan bij tieners gaat deze groeipijn echter niet vanzelf over. Als de beweging er niet in slaagt geloofwaardig te blijven, komt de aantrekkingskracht van de keurmerkbenadering onder druk te staan. Heldere criteria, betere garanties voor werknemers op plantages en in fabrieken en goed functionerende controlemechanismes zijn cruciaal.

Minstens even belangrijk is dat de betrokken organisaties de achterliggende doelstelling van de keurmerkbenadering niet uit het oog verliezen. Certificatie is geen doel op zich, maar een manier om druk uit te oefenen op bedrijven en politiek door de wensen van burgers in de vorm van een marktaandeel zichtbaar te maken. Het kopen van eerlijke waar is geen alternatief voor de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven voor maatschappelijk verantwoord beleid. Ook de politiek heeft een eigen taak, waar de beweging voor eerlijke handel sinds de jaren zestig steeds op heeft gewezen. Dat mensen eerlijk betaald worden voor hun werk mag niet afhangen van de individuele keuzes van mensen in supermarkten, maar moet door nationale en internationale regelgeving worden gegarandeerd. Eerlijke handel is immers geen luxeproduct.

 

Peter van Dam publiceerde onlangs Wereldverbeteraars: een geschiedenis van fair trade, waarin hij de geschiedenis van de beweging voor eerlijke handel analyseerde