Het onrecht van de pensioenleeftijd

Auteur: Wouter de Tavernier

In tegenstelling tot het stereotype van de gepensioneerde, zijn pensioenen dezer dagen weer behoorlijk hot. In Nederland wordt de verhoging van de AOW-leeftijd met de regelmaat van de klok in vraag gesteld en zowel in Nederland als wel in België woedt de discussie over welke ‘zware beroepen’ eerder op pensioen mogen gaan. In België zou volgens een voorlopig akkoord tussen de Minister van Pensioenen en de overheidsvakbonden zelfs zowat de helft van alle ambtenaren een zwaar beroep uitoefenen. Elk debat mondt dan ook steevast uit in een dovemansdiscussie over wie het meest om onze ouderen of de toekomst van onze kinderen geeft. En dat is jammer, want beide posities hebben meer gemeen dan op het eerste gezicht zou lijken: ze zijn op hetzelfde idee van rechtvaardigheid gebaseerd, maar passen dat idee selectief toe.

Rechtvaardigheid, maar voor wie?

De reden achter het verhogen van de AOW of pensioenleeftijd is eenvoudig. Gemiddeld leven mensen langer, dus moeten we ook later op pensioen gaan om te voorkomen dat de groep werkenden in de samenleving voor het inkomen van een steeds grotere groep afhankelijken moet zorgen. Rechtvaardigheid tussen generaties is hier het uitgangspunt: we kunnen de kost van een langer levende generatie niet afschuiven op een volgende generatie.

De magie schuilt in het woord ‘gemiddeld’. Gemiddeld leven mensen langer. De levensverwachting binnen de generatie ouderen is echter sterk gestratificeerd, wat wil zeggen dat niet iedereen kan verwachten even lang te leven. Een Nederlandse studie over levensverwachtingen en inkomen op basis van data tussen 1996 en 2007 vond dat mensen met een inkomen ongeveer gelijk aan de AOW op hun 65e gemiddeld 2,5 jaar minder lang te leven hebben dan iemand met een inkomen van twee keer het mediaaninkomen (het inkomen waar 50% van de bevolking boven valt en 50% eronder). Uit een schatting van de levensverwachting naar opleidingsniveau in België bleek dat de laagst opgeleide mannen in het begin van de jaren 2000 zelfs op 7,5 jaar minder konden rekenen dan mannen met een universitaire of hogeschoolopleiding. Bij vrouwen ging het om een verschil van ongeveer 6 jaar. Erger nog: tien jaar eerder bleek de levensverwachting voor de hoogstopgeleiden twee tot drie keer sneller toegenomen te zijn dan voor de laagstopgeleiden. Uit recentere cijfers in andere landen blijkt dat België helemaal geen uitzondering is, en ook daar zien we de levensverwachting ongeveer dubbel zo snel toenemen voor hoogopgeleiden.

Als we het niet rechtvaardig vinden om een volgende generatie te laten opdraaien voor de kost van een hogere levensverwachting van de vorige generatie, kunnen we ons dus ook afvragen of het wel rechtvaardig is om mensen met een lagere levensverwachting binnen een generatie dezelfde AOW of pensioenleeftijd op te leggen als hun generatiegenoten die op meer jaren kunnen rekenen. Je kan dus niet selectief zijn in de toepassing van hetzelfde rechtvaardigheidsprincipe: de uittredeleeftijd moet omhoog, maar niet voor iedereen aan hetzelfde tempo.

Knoeiboel

En daar knelt het schoentje, zeker in een systeem zoals de AOW, waarin een recht louter aan leeftijd is gekoppeld. De Nederlandse overheid heeft beslist dat iedereen gemiddeld recht heeft op 18 jaar en drie maanden AOW, en dat de AOW-leeftijd wordt aangepast aan de levensverwachting van de generatie. Maar dit systeem verbergt grote ongelijkheden binnen generaties: de levensverwachting bij het bereiken van de AOW-leeftijd ligt ongetwijfeld beduidend lager voor laagopgeleiden dan voor hoogopgeleiden. Erger nog: een toename van de levensverwachting met een jaar wordt automatisch vertaald in een verhoging van de AOW-leeftijd met een jaar. Dit principe ziet over het hoofd dat de levensverwachting sneller toeneemt voor hoogopgeleiden—data hierover heb ik niet specifiek voor Nederland, maar ik zie niet in waarom Nederland zou afwijken van de internationale trend. Het resultaat is dus onvermijdelijk dat de periode waarin laagopgeleiden van hun AOW kunnen genieten, verder zal slinken, terwijl hoogopgeleiden hun pensioenduur zien uitbreiden.

Oplossingsgericht denken

Tot op heden is er geen elegante oplossing voor dit probleem. Het opstellen van een lijst met zware beroepen lost het levensverwachtingsprobleem niet op, en blijkt uit zowel Nederlandse als Belgische ervaring onvermijdelijk uit te monden in een politiek straatje zonder einde. En als zo’n lijst er ooit komt, zal die ongetwijfeld veeleer de relatieve politieke macht van verschillende beroepsgroepen reflecteren dan de effectieve beroepszwaarte. Erop rekenen dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering de schok van de verhoging van de AOW-leeftijd zal opvangen, dan maar? Hoewel dat ongetwijfeld de excessen uit het systeem zou halen, verandert dat echter niets aan de fundamentele ongelijkheid als gevolg van het verschil in levensverwachting.

Bij gebrek aan kant-en-klare oplossingen moeten we ons fundamentelere vragen durven stellen. Is leeftijd wel een relevant criterium voor het bepalen van sociale rechten? En zo ja, welke ongelijkheden zijn we dan bereid te accepteren? Deze vragen gaan ons allemaal aan, en kennen geen technocratische antwoorden. Het is tijd voor een fundamenteler publiek debat over hoe we onze oude dag zien, dat verder gaat dan een discussie over leeftijden en beroepen.

Ben je nieuwsgierig geworden en wil je meer weten over sociale ongelijkheden en pensioenen? Klik dan hier.