“Wie bepaalt hoe wij kinderen introduceren in onze diverse samenleving?”

Auteur: Ina Ter Avest

“Van wie is het kind?” is de titel van een boek dat John Exalto in 2017 publiceerde over twee eeuwen onderwijsvrijheid in Nederland. John Exalto is universitair docent Historische Pedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. “Van wie is het kind?” vragen wij ons af terwijl we zijn boek lezen over de geschiedenis van het Nederlandse verzuilde onderwijs, met scholen die aansluiten bij de (religieuze of seculiere) overtuiging van ouders en hun ideeën over de (geloofs-)opvoeding van hun kind(eren). En wat blijkt? In het onderwijsdebat van de afgelopen twee eeuwen heeft het belang van het kind een ondergeschikte plaats gehad (Exalto 2017, p. 225). De vraag wie verantwoordelijkheid draagt voor de introductie van onze kinderen in de huidige samenleving, en wat het kind nodig heeft om te leven temidden van een diversiteit van verscheidene (geloofs)overtuigingen, werd eigenlijk overgeslagen. De behoefte van het kind zelf bleek dus eigenlijk een ondergeschoven kindje!

Het kind verdient een centrale plaats in het denken over opvoeding volgens Hannah Arendt (in: Berding 2017). Arendt geeft het kind alle aandacht en wijst ouders en andere opvoeders op hun verantwoordelijkheid wanneer zij het kind in de wereld waarin het geboren is inwijden. Ouders dienen het kind vertrouwd te maken met die bestaande wereld, waarvoor zij zelf als ouders verantwoordelijkheid dragen. De ouders zijn immers mede-bouwers aan de wereld van vandaag en zoals die zich aan het pasgeboren kind voordoet. Daarnaast moet het kind alle ruimte krijgen om zichzelf te kunnen ontplooien, zodat deze zelf die wereld weer verder vorm kan geven. Om aan te geven dat met elk nieuw mensenkind iets nieuws begint, heeft Arendt het begrip ‘nataliteit’ gemunt. Hiermee bedoelt zij dat elk mens op elk moment iets verrassend nieuws tot stand kan brengen, wat zij als ‘surprisingly new’ definieert.

Arendt gebruikt de metafoor van ‘de tafel van de wereld’ waaraan ouders hun kinderen, en leerkrachten hun leerlingen uitnodigen (Berding 2017, p. 46). Op deze tafel liggen de materiele en geestelijke attributen waarmee de wereld is ingericht: vervoersmiddelen, windmolens en kerken naast literatuur, muziek en Heilige Geschriften. De tafel zelf is tegelijk scheidend en verbindend – ieder heeft een eigen plaats aan een en dezelfde tafel. De metafoor uitbreidend zou je kunnen zeggen dat de tafel ook een metafoor is voor de school. Op school zitten leerkrachten en leerlingen bij elkaar aan de tafel (van de wereld) en kunnen de leerkrachten de materiele en geestelijke attributen die onze wereld kenmerken aan de leerlingen introduceren. De leerkracht is degene die bepaalt wat er aan de tafel wordt besproken en stemt zich daarbij af op wat de leerling nodig heeft om mede-bouwer van zijn of haar wereld te zijn. De leerkracht kan daarbij iets nieuws laten beginnen, en hij/zij kan de eigen potentie van nataliteit inzetten.

Het nieuwe, stelt Arendt, gebeurt altijd ‘tegen het overweldigende getuigenis in van statistische wetten… de verschijning van het nieuwe heeft daarom altijd iets van een wonder’ (Arendt 1958/2004, p. 176). Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen vaak opvallen. Juist omdat deze zo anders zijn dan de huidige stand van zaken, zo anders dan de Engelse uitdrukking ‘business as usual’. Het realiseren van de potentie van nataliteit is dus niet altijd eenvoudig, want het wijkt af van de vertrouwde gang van zaken. “Hoe kan het toch zo moeilijk zijn?”, vraagt Trouw-columniste Marjolein van Heemstra zich vertwijfeld af in haar column ( Trouw/Tijd 10 februari 2018), wanneer zij de spanning beschrijft die zij ervaart tussen het gaan voor haar ideaal van een interculturele samenleving, en de schoolkeuze voor haar kind. Van Heemstra kiest uiteindelijk voor een mono-culturele witte school – een school voor ‘ons soort mensen’. “Het kostbaarste wat ik heb, durf ik niet aan idealen bloot te stellen, als het erop aankomt kies ik voor veilig.”

Kiezen tegen de stroom in, kiezen voor (zoals Arendt zegt) ‘surprisingly new’ vraagt allereerst inzicht in de situatie ‘dat het zo niet langer kan’, gevolgd door de vragen “Maar wil ik mijn kind bloot stellen aan die kans op onverwachte nieuwe ervaringen; op ervaringen die ik zelf niet ken?” “Wat brengen die nieuwe ervaringen mij en mijn kind nu werkelijk?” Dan komt het moment van handelen: ‘wat kan ík er aan doen?’ “Zal ik voor mijn kind kiezen voor die school die een afspiegeling is van de diversiteit in de Nederlandse samenleving; een school die mijn idealen in praktijk brengt?” Die vraag beantwoorden en tot daadwerkelijk handelen komen, kan niet zonder het zoeken en vinden van bondgenoten. Dat kunnen andere ouders zijn die alléén de sprong in het diepe niet wagen, maar in gezamenlijkheid wèl. Het kunnen ook leerkrachten zijn die – samen – tegen de overweldigende stroom van dreigende segregatie in gaan, samen iets ‘surprisingly new’ beginnen. Ouders hebben soms het duwtje in de rug van leerkrachten nodig – Marjolein van Heemstra zou daarmee geholpen zijn geweest.

Een concreet voorbeeld van tegen de stroom in iets ‘surprisingly new’ tot stand brengen, zien we in het initiatief van twee scholen in Utrecht – een ‘witte’ openbare basisschool in Tuindorp en een ‘zwarte’ openbare basisschool in Overvecht. Tegen de groeiende overtuiging in dat segregatie in het onderwijs een feit is, bouwen leerkrachten een brug tussen een ‘zwarte’ en een ‘witte’ school. Leerkrachten van beide scholen waren zich afzonderlijk bewust van de gedachte dat ze het zo niet langer wilden en hebben in elkaar bondgenoten gevonden. Om de kloof tussen de twee werelden van Tuindorp en Overvecht te overbruggen, hebben ze hun scholen tot ‘vriendschapsscholen’ gedoopt, waarbij de begrippen vriendschap en vreedzaamheid twee belangrijke pijlers zijn van de brug tussen de twee scholen.

Niet toevallig is ‘vriendschap’ ook een prominent begrip in Arendt’s filosofie van het samen-leven. Mensen, zegt Arendt, zijn niet alleen vrienden omdat ze iets met elkaar gemeen hebben, ze worden ook vrienden wanneer ze met elkaar in gesprek gaan over hun verschillen. Pas in het voortdurend spreken en handelen ontstaat gemeenschap, een vrienden-gemeenschap (zie: De Kesel, 2008, p. 43 e.v.). En dat is precies wat we zien als we kijken naar de stap die de Tuindorpse en Overvechtse basisscholen samen hebben gezet. Van voorzichtig aftasten om later voortdurend met elkaar in gesprek gaan. Samen handelen, elkaar ontmoeten, daar gaat het om, aldus Arendt. ‘Jong geleerd is oud gedaan’, stellen de leerkrachten van de beide scholen in het interview dat ze aan Trouw gaven (Trouw, 10 februari 2018).

“Van wie is het kind?” vroegen we ons aan het begin van deze blog af. Maar misschien is het niet de juiste vraag en moet deze anders geformuleerd worden: “Van wie is de wereld?” Met Arendt in de hand zou het antwoord kunnen zijn: “Van volwassenen en kinderen die hun potentie van nataliteit omzetten in spreken en handelen, en al doende tot een vrienden-gemeenschap komen”. Het antwoord van leerkrachten en leerlingen van de Tuindorpse en Overvechtse school zal waarschijnlijk veel korter en krachtiger zijn: “Van ons!”

—–

  • Arendt, H. (1994/2004). Vita Activa. Amsterdam: Boom.
  • Berding, J. (red.) (2017). Aan het werk met Hannah Arendt. Professionals in onderwijs, zorg en sociaal werk. Leusden: ISW Uitgevers.
  • De Kesel, M. (2008). ‘Een tempel voor de Chariten’. In: Hannah Arendt Cahier. Nijmegen: Radboud Universiteit.
  • Exalto, J. (2017). Van wie is het kind? Twee eeuwen onderwijsvrijheid in Nederland. Amsterdam: Uitgeverij Balans.
  • Heemstra, M. Van (2018). Mengen. In: Trouw/Tijd, 10 februari 2018.