Mensenrecht op gezinshereniging onder druk

Auteur: Mark Klaassen, MA LL.M

Mark Klaassen is als universiteit docent verbonden aan het Instituut voor Immigratierecht van de Universiteit Leiden. Op 3 november 2015 verdedigt hij zijn proefschrift “The right to family unification: Between human rights and migration control”.

Het is een mensenrecht om bij je directe gezinsleden te mogen wonen, ook als je niet allemaal uit hetzelfde land komt. Dit mensenrecht, dat nergens als zodanig is geformuleerd, blijkt uit verschillende internationale en Europese verdragen en afspraken. Toch staat het mensenrecht op gezinshereniging regelmatig onder druk. Gezinshereniging is als onderwerp zo politiek geladen dat verschillende EU-lidstaten de grenzen opzoeken van wat Europeesrechtelijk mogelijk is om een zo restrictief mogelijk beleid te ontwikkelen. In deze bijdrage bespreek ik een aantal van deze restrictieve toelatingseisen.

Mark_Klaassen_afbeeldingHet Nederlandse gezinsherenigingsrecht kent sinds 2007 inburgering als toelatingseis voor gezinshereniging. Dit betekent dat aanvragers voor gezinshereniging in hun land van herkomst, en voor aankomst in Nederland, een inburgeringsexamen af moeten leggen. Hierin wordt kennis over de Nederlandse taal en samenleving getoetst. Overigens moet er bij deze kennistoets een kanttekening worden geplaatst: kandidaten krijgen dertig, uit een reeks van honderd publiekelijk beschikbare vragen. Deze kunnen dus uit het hoofd geleerd worden.

Al sinds de inwerkingtreding van de EU-Gezinsherenigingsrichtlijn wordt de vraag gesteld of de Nederlandse inburgeringstoets wel richtlijnconform is. Onlangs heeft het Hof van Justitie van de EU geoordeeld dat het opleggen van de inburgeringseis niet tot gevolg mag hebben dat de uitoefening van het recht op gezinshereniging onevenredig moeilijk gemaakt wordt.

Waar Nederland gebonden is aan de hierboven genoemde Gezinsherenigingsrichtlijn, is Denemarken dat niet.[1] In Denemarken bestaat de zogenoemde ‘bindingseis’. Dit behelst dat de gezamenlijke band van de al in Denemarken verblijvende partner (de referent) en de gezinsmigrant met Denemarken groter moet zijn dan de gezamenlijke band met het land van herkomst van de gezinsmigrant. Er bestaan enkele vrijstellingsgronden op deze eis. Zo ben je bijvoorbeeld vrijgesteld als je als referent een bepaald beroep uitoefent, zoals verpleegkundige of ICT-specialist. Een andere, meer bekritiseerde, vrijstellingsgrond is dat niet hoeft worden voldaan aan de bindingseis als de referent meer dan 27 jaar de Deense nationaliteit heeft gehad. De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens buigt zich momenteel over de vraag of dit indirecte discriminatie is. Denen met een etnisch Deense achtergrond komen immers makkelijker in aanmerking voor deze vrijstellingsgrond dan Denen met een andere etnische achtergrond. Het is onbekend wanneer het Hof uitspraak zal doen in deze zaak.

Het Verenigd Koninkrijk, dat net als Denemarken door een opt-out niet gebonden is aan de Gezinsherenigingsrichtlijn, is in het opzicht van inkomenseisen het meest restrictief van alle EU-lidstaten. Referenten moeten in het VK voldoen aan een hoge inkomenseis. Voor de gezinshereniging van een echtgenoot zonder kinderen moet de referent minstens 18.600 Britse Pond per jaar verdienen (zie hier voor een vergelijking van de lidstaten). Als er kinderen in het spel zijn loopt het minimum inkomenseis met duizenden Ponden op. In de nationale jurisprudentie over deze hoge inkomenseis speelt de vraag of het eigenlijk wel in overeenstemming is met het deel van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wat betrekking heeft op respect voor gezinsleven.

De hierboven genoemde voorbeelden laten zien dat het mensenrecht op gezinshereniging onder druk staat. Meer en meer proberen staten gezinshereniging tegen te gaan door het stellen van strenge toelatingsvoorwaarden. In toenemende mate zoeken lidstaten de grens op van wat binnen het EU-recht en de mensenrechten nog toegestaan is, waarbij het gezinsherenigingsbeleid alsmaar strenger wordt. Vaak gebeurt het hierbij dat de strenge maatregelen hun doel voorbij schieten. Zo was het doel achter de invoering van het Nederlandse inburgeringsexamen in het buitenland het bevorderen van de integratie van gezinsmigranten in Nederland. Nergens blijkt echter uit dat dit doel met het huidige inburgeringsexamen wordt bereikt. Wel is duidelijk dat het voor een aantal mensen moeilijk is om aan de voorwaarde te voldoen, bijvoorbeeld door analfabetisme, of omdat het simpelweg een hele reis is om naar een examenlocatie op een Nederlands consulaat te komen. Omdat het voor burgers een enorme impact heeft als ze niet met hun gezinsleden samen in een land mogen wonen, is bezinning binnen het gezinsherenigingsrecht op zijn plaats. Natuurlijk mogen EU lidstaten een eigen immigratiebeleid voeren en zijn er geen open grenzen, maar bij het stellen van eisen aan gezinshereniging moet er ook oog zijn voor individuele omstandigheden en mededogen.

[1] Alle lidstaten behalve Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn gebonden aan de Gezinsherenigingsrichtlijn. Deze twee lidstaten hebben in de jaren ’90 een uitzonderingspositie bedongen bij de verdragsonderhandelingen.

 

Copyright 2015, All rights reserved | gepubliceerd op: 03-10-2015