Discriminatie van allochtone werkzoekenden op online CV-databanken

Auteur: Dr. Lieselotte Blommaert

Lieselotte Blommaert (1983) studeerde sociologie (bachelor) en Social Cultural Science (research master) aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Bij de vakgroep Sociologie van de Universiteit Utrecht schreef ze een proefschrift over discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt, dat ze op 10 juni 2013 met succes verdedigde. Momenteel werkt ze bij diezelfde vakgroep als postdoc-onderzoeker aan een project over vrouwen in hogere managementposities. 

Discriminatie van allochtone werkzoekenden op online CV-databanken

Dat allochtone werkzoekenden die sollicitatiebrieven sturen in reactie op vacatures gediscrimineerd worden is een redelijk bekend gegeven. Over de mechanismes achter zulke discriminatie – waarom discrimineren werkgevers? – is echter verassend weinig bekend. Bovendien weten we nog weinig over discriminatie bij nieuwe vormen van ‘recruitment’, zoals procedures waarbij werkzoekenden hun CV op internet plaatsen, waarna geïnteresseerde werkgevers contact met hen kunnen opnemen.

In ons onderzoek bestuderen we in hoeverre discriminatie voor komt onder allochtonen die hun CV op een online databank plaatsen. Om meer te weten te komen over de mechanismes die leiden tot discriminatie onderscheiden we meerdere fases van sollicitatieprocedures; het moment waarop een werkgever er wel of niet voor kiest om het hele CV van een werkzoekende te bekijken (fase 1) en de fase waarin werkgevers contact opnemen met een werkzoekende (bijvoorbeeld om die uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek) of niet (fase 2). Eerder keken onderzoekers alleen naar fase 2 of latere fases en speculeerden slechts over fase 1. Een idee dat daarover bestond was dat werkgevers grote aantallen kandidaten moeten beoordelen, zij een eerste selectie maken op bepaalde kenmerken, waaronder afkomst. Na het zien van een allochtone naam zouden werkgevers simpelweg niet verder lezen. Wij onderzoeken of dit idee ook daadwerkelijk strookt met de realiteit. Door te analyseren wanneer discriminatie precies voorkomt hopen wij meer te weten te komen over waarom discriminatie voorkomt.

Voor dit onderzoek verzamelden we gegevens via een nieuw type veldexperiment. In klassieke veldexperimenten sturen onderzoekers brieven en CV’s van fictieve (niet-bestaande) autochtone en allochtone sollicitanten (die vergelijkbaar zijn op alle gebieden behalve afkomst) naar werkgevers in reactie op vacatures. Indien autochtone sollicitanten gemiddeld meer positieve reacties krijgen, is dit bewijs van discriminatie. Wij plaatsten CV’s van fictieve werkzoekenden met typisch Arabische namen en ter vergelijking ook met typisch (autochtone) Nederlandse namen op twee online CV-databanken. Allochtonen en autochtonen waren gemiddeld gelijk wat betreft geslacht, leeftijd en kwalificaties. Vervolgens hebben we gemeten hoe vaak elk CV werd bekeken en hoe vaak werkzoekenden een positieve reactie kreeg van een werkgever. Daarbij maakten we onderscheid tussen de twee fases: bekijken en uitnodigen. Belangrijk om te weten is dat werkgevers alleen contact op kunnen nemen (fase 2) met personen van wie ze het volledige CV hebben opgevraagd (fase 1). Om te onderzoeken of de resultaten robuust waren (stabiel over de tijd), voerden we dit experiment uit in twee etappes; tussen mei en juli en tussen september en november 2011. We verzamelden informatie in tien Nederlandse regio’s, binnen vijf sectoren, drie beroepsniveaus, op twee websites en deden dit over zowel mannelijke als vrouwelijke werkzoekenden van allerlei leeftijden.

De resultaten laten zien dat er zeker sprake is van discriminatie van werkzoekenden met een Arabische naam bij sollicitatieprocedures via online CV-databanken (in alle onderzochte regio’s en sectoren en voor zowel mannelijke als vrouwelijke werkzoekenden van alle opleidingsniveaus en leeftijden). Verschillen tussen sollicitanten met Arabische en Nederlandse namen ontstaan vooral in fase 1. De kans dat het hele CV van iemand met een Nederlandse naam wordt opgevraagd is 50% groter dan de kans voor iemand met een Arabische naam. In fase 2 is er minder sprake van discriminatie. Mits een werkgever het CV van een werkzoekende met een Arabische naam heeft gezien, heeft deze ongeveer evenveel kans op een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek als een werkzoekende met een Nederlandse naam waarvan het hele CV was opgevraagd. Desalniettemin zorgt de discriminatie in fase 1 voor een aanmerkelijk verschil tussen allochtone en autochtone werkzoekenden na fase 2. Uiteindelijk is de kans dat een werkzoekende met een Nederlandse naam een positieve reactie krijgt ongeveer 60% groter dan die kans voor een werkzoekende met een Arabische naam. Deze resultaten werpen meer licht op wat er gebeurt in de fases van sollicitatieprocedures voorafgaand aan het uitnodigen van kandidaten. Deze uitkomsten ondersteunen het idee dat werkgevers vaak een eerste selectie maken op basis van de naam en daarmee etniciteit (en het geslacht) van potentiele kandidaten. Zo krijgen ze het volledige CV en dus de kwalificaties van allochtone sollicitanten vaak helemaal niet te zien.

Door: Lieselotte Blommaert | Post-doc onderzoeker bij de vakgroep Sociologie aan de Universiteit Utrecht | www.uu.nl/medewerkers/lblommaert

Copyright 2013 all rights reserved