Kinderen in armoede in Nederland

Auteurs: Dr. Majone Steketee & Drs. Jodi Mak

Majone Steketee is voorzitter van de Raad van Bestuur van het Verwey-Jonker instituut  en Jodi Mak is onderzoeker Jeugd bij het Verwey-Jonker Instituut.

Kinderen in Armoede in Nederland

Eén op de negen kinderen in Nederland leeft in armoede. Dit zijn 377.000 kinderen (Kinderrechtenmonitor, 2012). Het Verwey-Jonker Instituut heeft in 2013 voor de Kinderombudsman een drietal onderzoeken gedaan naar kinderen in armoede. Zo is er een Meldpunt Kinderen in Armoede  voor kinderen tussen de 6 en 18 jaar geopend. Behalve kinderen, konden ook ouders, professionals en ambtenaren met hun ervaringen en problemen bij het Meldpunt aankloppen. Het Meldpunt bleef enige weken geopend.  In totaal benaderden  681 kinderen en 421 volwassenen het Meldpunt. Daarnaast zijn er 25 jongeren geïnterviewd. Meer dan de helft van de kinderen die het Meldpunt benaderde gaat naar de voedsel- of kledingbank of heeft te maken gehad met het afsluiten van elektriciteit of water. De reacties en interviews zijn niet representatief voor alle kinderen in Nederland, maar geven wel een eenduidig beeld van hoe kinderen het opgroeien in armoede ervaren en wat voor gevolgen dit voor ze heeft. Naast het Meldpunt voor kinderen en volwassenen is er ook een onderzoek uitgezet onder alle Nederlandse gemeenten met vragen over armoedebeleid voor kinderen. In totaal hebben 198 van de 408 gemeenten gereageerd, waarmee dit deelonderzoek representatief is voor het gemeentelijk armoedebeleid in Nederland.  In dit artikel staan we stil bij enkele van de vele conclusies.

Armoede heeft grote gevolgen voor kinderen en jongeren en kan hen isoleren

De meeste kinderen ervaren het leven in armoede als zeer vervelend. Ze krijgen bijvoorbeeld niet dagelijks warm eten of geen nieuwe schoenen of kleding als dit nodig is. Kinderen verwachten dat deze situatie niet snel zal veranderen. Een deel van de kinderen heeft fysieke en/of psychische klachten omdat ze zich bijvoorbeeld zorgen maken over de armoedesituatie thuis, over geldproblemen maar ook over de angst uit thuis te worden gezet.  Ook vakanties, een lidmaatschap van een sportclub, het vieren van een verjaardag of meedoen aan schoolexcursies is niet vanzelfsprekend. Bijna twee op de drie kinderen participeert niet in clubs vanwege de kosten. Ook nemen ze soms geen vrienden of vriendinnen mee naar huis. Als kinderen niet mee kunnen doen, kunnen ze in een sociaal isolement terecht komen. De kinderen vertelden ook dat ze het gevoel hadden ‘anders te zijn’, omdat ze niet mee kunnen doen met de recente trends in kleding of spullen en worden soms gepest.

Armoede is nog steeds een groot taboe in Nederland

Kinderen praten weinig met hun ouders over armoede thuis, maar ook met anderen gebeurt dit weinig; op school en zelfs met beste vrienden blijkt armoede een taboeonderwerp. Aan de andere kant geven de kinderen aan dat ze vinden dat dit taboe doorbroken moet worden. Hun belangrijkste tip voor andere jongeren is om er toch over te praten.

Voor kinderen in armoede maakt het verschil in welke gemeente je opgroeit

Uit ons tweejaarlijkse databoek Kinderen in Tel blijkt dat er grote verschillen zijn in de armoedesituatie tussen provincies en gemeenten (Steketee, Mak en Tierolf, 2012). De belangrijkste conclusie uit de reacties van de volwassenen op het Meldpunt is dat zij het gevoel hebben dat het uitmaakt waar je als kind woont en opgroeit.  Veel van de steun en hulp die gezinnen ontvangen, komt vanuit particuliere initiatieven, zoals Stichting Leergeld en de voedsel- of kledingbanken. De gezinnen waarderen deze hulp, maar dit is niet in alle gemeenten aanwezig. Daarnaast hebben alle gemeenten een eigen armoedebeleid. Gemeenten verschillen ook sterk in de voorzieningen voor kinderen in armoede. Bovendien valt deze groep onder verschillende beleidsterreinen: in sommige gemeenten bestaat er bijvoorbeeld een open eindregeling en kunnen alle kinderen deelnemen, maar in andere gemeenten is dat zeer gering vanwege financiële middelen en politieke prioriteit

Kinderen hebben onvoldoende stem in het ontwerpen en uitvoeren van op hen gericht beleid

Eén van de belangrijkste conclusies is dat kinderen in nog weinig gemeenten zelf invloed hebben op het beleid (4,6%). Omdat gemeenten vaak niet goed weten hoe ze kinderen kunnen betrekken bij armoedebeleid ontwikkelde het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van de Kinderombudsman een handleiding hierover. Deze handleiding verschijnt binnenkort.

Naar aanleiding van onze onderzoeken doet de Kinderombudsman een aantal aanbevelingen. Vaak worden kinderen ondergesneeuwd onder ander doelgroepen als het gaat armoedebeleid;  het is belangrijk dat er armoedebeleid komt dat zich specifiek op kinderen richt met een duidelijke visie.  Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten een kindpakket samen te stellen. Het pakket bestaat tenminste uit de absoluut noodzakelijke behoeften, aangevuld met zaken om mee te kunnen doen in de samenleving. Het kindpakket bevat tenminste vouchers voor basisbenodigdheden zoals een stel winterkleren en zomerkleren en bijvoorbeeld lessen voor een basiszwemdiploma, een bibliotheekpasje tot 18 jaar, toegang tot lokaal openbaar vervoer en deelname aan een wekelijkse activiteit ter ontspanning of sportieve / culturele ontwikkeling. Het gaat bij het kindpakket om kinderen die in een huishouden leven met een besteedbaar inkomen van minder dan 120% van het voor het huishouden geldende sociale minimum. Het realiseren van dit kindpakket valt eigenlijk ook onder de plicht die Nederland met het getekende Kinderrechtenverdag heeft om op een toereikende levensstandaard van alle kinderen in Nederland toe te zien.

Bronnen:

Verwey-Jonker Instituut en Kinderombudsman (2013). Kinderen in Armoede in Nederland. Den Haag: Kinderombudsman. Link: http://www.verwey-jonker.nl/jeugd/publicaties/beleid/kinderen_in_armoede_in_nederland

Bruning, M.R.,  van den Brink., Y.N., & De Jong – de Kruijf, M. P. (2012). KINDERRECHTENMONITOR 2012. – Adviezen aan de Kinderombudsman. Leiden: Universiteit Leiden

Steketee, M., Mak,. J., & B. Tierolf (2012). Kinderen in Tel. Databoek  2012. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut

 

Copyright 2014, All rights reserved | gepubliceerd: 01-03-2014