Tussen recht en wederkerigheid

Auteurs: Lia van Doorn & Mayke Kromhout

Lia van Doorn is lector Kenniscentrum Sociale Innovatie aan de Hogeschool Utrecht. Ze promoveerde in 2002 op Een tijd op straat. Een volgstudie naar (ex)daklozen in Utrecht.

Mayke Kromhout is zelfstandig onderzoeker en in 2000 gepromoveerd op Gedeelde smart is halve smart. Hoe vrouwen in Paramaribo hun bestaan organiseren.

Tussen recht en wederkerigheid: reactiepatronen van deelnemers van voedselbanken

 In ons land ontstond ruim tien jaar geleden de eerste voedselbank, in Rotterdam. In rap tempo volgden andere steden. Ondertussen heeft vrijwel elke stad een eigen voedselbank. Onder invloed van de economische crisis steeg het aantal deelnemers. Van de circa 70.000 deelnemers die in armoede leven, woont een kwart in de grote steden. De explosieve groei van voedselbanken en haar deelnemers trekt veel maatschappelijke aandacht. Voedselbanken zijn omstreden. Als we de criticasters moeten geloven ‘moeten ze uit ons land verdwijnen’ (Sadet Karabulut, 2012) en leidt gratis voedselverstrekking tot  free-riders gedrag.

In het onderzoek dat we uitvoerden onder ruim vijftig deelnemers bij zeven voedselbanken in de stad Utrecht, plaatsen we de voedselbanken in het licht van de discussie over de participatiesamenleving. In het onderzoek kwam naar voren dat deelnemers een eigen perceptie hebben van het voedselaanbod. Er zijn ruwweg twee reactiepatronen.

Reactiepatroon 1: Wederkerigheid

Het eerste reactiepatroon kenmerkt zich door het streven van de betreffende deelnemers naar een balans tussen ‘geven en nemen’ en naar wederkerigheid. Kenmerkend voor deze deelnemers is dat zij zich er voor generen om hun hand op te moeten houden bij de voedselbank. Dat tast hun zelfrespect aan. Deze respondenten benadrukken dat ze graag iets terug willen doen in ruil voor het gratis voedselpakket. Echter, bij de meeste uitgiftepunten is men huiverig om deelnemers ook als vrijwilliger in te zetten. Daarmee zijn in het verleden niet altijd even goede ervaringen opgedaan. Bovendien staat het haaks op de richtlijn van Voedselbank Nederland. Deze landelijke koepel raadt voedselbanken af om deelnemers als vrijwilliger in te zetten.

Er dienen zich echter wel andere mogelijkheden aan om de wens van deelnemers om iets terug te doen, te honoreren. Bijvoorbeeld bij de kleinschalige projecten voor hergebruik van goederen die bij sommige van de Utrechtse voedselbanken zijn aangehaakt. Zo worden op een van de uitgiftepunten de verpakkingsdozen van levensmiddelen bewaard en als ‘oud papier’ verkocht waarbij de opbrengst bestemd is voor de sportclub in de wijk. Op één uitgiftepunt is er een schoolbord aanwezig waarop deelnemers kunnen aangeven waar ze naar op zoek zijn, een soort mini-Marktplaats, maar dan fysiek. Dit roept de vraag op of deelnemers van de voedselbank die zich kenmerken door dit eerste reactiepatroon, nadrukkelijker kunnen worden betrokken bij zulke projecten. Tijdens ons onderzoek constateerden we dat sommige vrijwilligers er moeite mee hebben om in de rollen van gever en ontvanger te variëren en om beide rolposities te combineren.

Reactiepatroon 2: de kritische consument

Het tweede reactiepatroon dat zich bij respondenten aftekent ten opzichte van het aanbod van de voedselbanken, kenmerkt zich veeleer door een opstelling als kritische consument. Deze respondenten wekken de indruk dat ze het aanbod van de voedselbank niet zozeer als een gunst beschouwen, maar veeleer als een recht. Deze deelnemers zijn doorgaans (meer of minder) kritisch over het aanbod van de voedselbank: ze plaatsen kanttekeningen bij de (te geringe) hoeveelheid voedsel in het pakket, de (eenzijdige of eentonige) samenstelling van het pakket en bij de mate van versheid (een deel van het voedsel is over de houdbaarheidsdatum). De indruk bestaat dat  deelnemers die dit reactiepatroon vertonen,  niet goed op de hoogte zijn van de herkomst van het voedselpakket. Ze lijken niet of nauwelijks te beseffen dat de voedselbank een particulier initiatief is dat draait op vrijwillige inzet en afhankelijk is van donaties. Zij verkeren daarentegen in de veronderstelling dat de voedselbanken (volledig) door de overheid gefinancierd worden en onderdeel uitmaken van het brede aanbod van sociale voorzieningen (zoals sociale bijstand, schuldhulpverlening  en huursubsidie) dat van overheidswege wordt verstrekt. Dit beeld van deze respondenten wordt nog versterkt omdat ze soms door andere professionele organisaties zoals de Dienst Werk en Inkomen, de Kredietbank of het Maatschappelijk Werk, worden doorverwezen naar de voedselbank. Bij de Utrechtse voedselbanken krijgen ze vervolgens een intakegesprek met een sociaaljuridische dienstverlener van het uitgiftepunt, die hen naar hun officiële documenten vraagt en hun financiële situatie tegen het licht houdt. Dit sterkt de respondenten in hun vermoeden dat de voedselbanken in het verlengde liggen van het reguliere, door de overheid georganiseerde en gefinancierde aanbod van sociale voorzieningen. De kritische houding van de deelnemers die dit reactiepatroon vertonen, leidt bij de vrijwilligers soms tot irritatie en tot de verzuchting: ‘ze zijn ondankbaar’.

Participerende burgers

Deze twee reactiepatronen van deelnemers van de voedselbanken en de reacties daarop van de vrijwilligers van de voedselbanken, beschouwen we in het licht van de participatiesamenleving. De klassieke verzorgingsstaat wordt afgebouwd. De landelijke overheid heeft de uitvoering van het sociaal beleid gedecentraliseerd naar gemeenten. In de kielzog van uitgangspunten van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de participatiesamenleving, worden zorgtaken in handen gelegd van burgers. In de ‘doe-democratie’ – waarin iedereen wordt geacht mee te doen – dienen burgers verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven en voor hun medeburgers. Bij de landelijke en lokale overheden wordt deze omslag – de kanteling – inmiddels gemaakt. In hoeverre maken burgers en burgerinitiatieven deze (cultuur)omslag ook? De reactiepatronen van de deelnemers van de voedselbanken, en de reactie daarop van vrijwilligers, laten zien dat dit niet zonder slag of stoot verloopt.

Het eerste reactiepatroon, waarbij deelnemers streven naar wederkerigheid, actief zijn en iets terug willen doen in ruil voor het voedselpakket, lijkt naadloos aan te sluiten bij de uitgangspunten van de participatiesamenleving. Echter, de vrijwilligers van de voedselbanken hebben soms moeite om de wens van deelnemers om zelf ook actief te zijn, te accommoderen.  Het tweede reactiepatroon, waarbij burgers zich opstellen als kritische consument, lijkt meer in lijn met de ‘oude’ situatie waarbij burgers het aanbod van sociale voorzieningen van de verzorgingsstaat als een recht beschouw(d)en. Dit reactiepatroon leidt tot fricties in het contact met vrijwilligers van de voedselbanken.

Op het microniveau van de alledaagse omgang tussen deelnemers en vrijwilligers bij de voedselbanken, zijn de (nieuwe) rollen en posities van de ‘participerende burger’ nog geenszins uitgekristalliseerd. Er wordt, in relatieve stilte, naar (nieuwe) sociale verhoudingen, mores en burgerschapsrollen gezocht. Dat gaat met vallen en opstaan.

—-

Bron: Kromhout, M. en L. van Doorn (2013). Voedselbanken in Utrecht. Deelnemers in beeld. Utrecht: Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum Sociale Innovatie.

 

Copyright 2014, All rights reserved | gepubliceerd: 03-03-2014