Waarom we het begrip ‘nepnieuws’ beter niet kunnen gebruiken

Auteur: Damian Trilling

“Britten willen ‘rapid response team’ tegen nepnieuws”, “Door actie hackteam kunnen we echt nieuws van nepnieuws onderscheiden” en “‘Europees keurmerk voor echt nieuws en nepnieuws mogelijk'”. Dit is slechts een kleine greep uit nieuwskoppen van de afgelopen dagen. En terwijl het begrip nepnieuws twee jaar geleden nog helemaal niet voorkwam in het nieuws, is er het afgelopen jaar volop aandacht voor geweest. Toch kunnen we het begrip nepnieuws (of het Engelse ‘fake news’) beter maar niet gebruiken.

Artikelen die het woord ‘nepnieuws’ bevatten in de grote Nederlandse kranten en nieuwssites. (bron: eigen onderzoek)

Het definitieprobleem: Wat is nepnieuws?

Het probleem begint al bij het afbakenen van het begrip. Het verzonnen berichtje, opgemaakt als een journalistiek artikel, verspreid via sociale media, met als doel om verkiezingen te beïnvloeden, wordt vaak als het prototypische voorbeeld van nepnieuws gezien. Maar waar ligt de grens? Hoe zit het met a-politieke broodje-aap-verhalen? Of met suggestieve en gekleurde berichten die feiten uit het verband rukken en belangrijke informatie achterwege laten, maar niet verzonnen zijn? Of met oprechte vergissingen?

Dat mensen het er niet over eens zijn wat nepnieuws is blijkt ook uit vragenlijstonderzoek van het Reuters Instituut: hoewel de meeste respondenten een mening over de fake news-discussie hadden, viel het niet mee om af te bakenen wat wel of niet onder de noemer ‘fake news’ moet worden geschaard. In de woorden van de onderzoekers: “People see the difference between fake news and news as one of degree rather than a clear distinction”. De scheidslijnen tussen slechte journalistiek (oppervlakkig, onnauwkeurig, sensatiegericht), propaganda (uiterst partijdig, extreme ‘spin’) en ‘false news’ (verzonnen berichten; commercieel gemotiveerd, politiek gemotiveerd, of gewoon kwaadaardig) bleken behoorlijk poreus.

Toch wordt er, zoals de nieuwskoppen aan het begin van dit stuk laten zien, veelvuldig geprobeerd om nepnieuws actief te bestrijden. Maar als niet eens duidelijk is wat nepnieuws is, dan is dit geen goede basis voor beleidsmaatregelen. Als je iets wilt reguleren of verbieden, dan moet je wel heel goed kunnen uitleggen waarop je beleid al dan niet van toepassing is. Daarnaast wijst de Leidse onderzoeker Peter Burger in een interview erop dat niet eens duidelijk is hoe groot het probleem überhaupt is.

Het vrijheidsprobleem: Gooien we het kind met het badwater weg?

Als argument vóór het bestrijden van nepnieuws wordt geregeld aangevoerd dat nepnieuws de publieke opinie beïnvloedt door mensen actief te misleiden. Hierdoor wordt het publieke debat verziekt en worden verkiezingsuitslagen oneerlijk beïnvloed. Om de democratie te beschermen, moet nepnieuws dus worden bestreden. En wie kan tegen het beschermen van het democratisch proces zijn?

Helaas zit het niet zo simpel: tegenover het doel om een eerlijk publiek debat te waarborgen staan rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Buiten vastomlijnde kaders (bijvoorbeeld smaad of laster, of in sommige landen holocaustontkenning) ruikt het verbieden van of anderszins onmogelijk maken van het verspreiden van een boodschap snel naar censuur. Doordat het niet altijd even makkelijk is onderscheid te maken tussen nepnieuws en nieuws van slechte kwaliteit (maar in beginsel legitieme journalistiek), wordt dit probleem verergerd. En in het huidige globale medialandschap komen er nog culturele en wetsverschillen bij: zo verschilt het concept van vrijheid van meningsuiting in de VS behoorlijk van het Europese.

Het verantwoordelijkheidsprobleem: De sociale media hebben het gedaan!(?)

Een behoorlijk deel van het nieuws wordt inmiddels (ook) via social media verspreid. Het lijkt aannemelijk dat nepnieuws bijzonder afhankelijk is van dit distributiekanaal en er bijzonder goed floreert. De investeringen zijn immers minimaal (iedereen kan iets plaatsen, en ook als je gebruik maakt van advertenties of bots zijn de kosten vaak bijna verwaarloosbaar), en wie de juiste toon te pakken heeft kan een zeer groot publiek bereiken, ook als de oorspronkelijke afzender volstrekt onbekend is. De roep dat het probleem dus door Facebook (en/of Twitter) moet worden aangepakt klinkt daarom veelvuldig.

Alleen, zo makkelijk is het niet. Nog los van de vraag of dit überhaupt in het belang van Facebook is (uiteindelijk is het gewoon een bedrijf dat winst wil maken door gebruikers aan zich te binden en advertenties te verkopen) en de bovengenoemde censuurproblematiek (waar men zich echter erop zou kunnen beroepen dat Facebook als commerciële site geen publieke ruimte vormt), dringt de vraag zich op hoe dit dan moet worden gedaan.

Er zijn grofweg vier mogelijkheden om de verspreiding van informatie (en dus ook ‘nepnieuws’) tegen te gaan:

  1. – met expliciete feedback van gebruikers die nepnieuws rapporteren;
  2. – door ingrijpen van een externe partij (zoals een overheidsorgaan);
  3. – door redacteuren aan te stellen;
  4. – met algoritmes die getraind worden om nepnieuws te herkennen, bijvoorbeeld op basis van kenmerken van het bericht, de bron, en het verspreidingspatroon.

Helaas gaat elk van deze benaderingen gepaard met grote problemen. Zoals we hebben gezien is de eerste optie bijna onuitvoerbaar omdat er geen consensus onder de gebruikers is wat nepnieuws eigenlijk is. De tweede optie ligt uitermate gevoelig vanwege het ingrijpen in de burgerlijke vrijheden.

En als Facebook nu gewoon een redactie aanstelde die – net als een krantenredactie – het laatste woord heeft over de inhoud die op Facebook geplaatst wordt? In dat geval zouden we Facebook echter als mediabedrijf moeten beschouwen, wat verregaande consequenties zou hebben. Mijn collega Natali Helberger en ik hebben elders al eens uitgelegd waarom Facebook hiervoor terugdeinst: door zichzelf als techbedrijf, dat puur als doorgeefluik fungeert (net zoals je telefoonaanbieder), neer te zetten, hoeft Facebook zich niet aan regelgeving voor (journalistieke) mediabedrijven te houden. Maar als je over een redactie beschikt is dit standpunt moeilijk vol te houden.

De vierde optie is dan misschien nog het minst problematisch. Zonder het gebruik van spamfilters en zonder algoritmes die irrelevante items lager rangschikken zouden sociale media (net zoals zoekmachines) niet bruikbaar zijn. Waarom niet naast een spamfilter ook een nep-filter gebruiken? Het voornaamste gevaar dat hier op de loer ligt is echter dat de ‘verkeerde’ signalen worden opgepikt en bijvoorbeeld alleen maar grote nieuwssites hoog in de newsfeeds komen te staan en kleine bronnen (of bronnen uit een specifieke regio) per definitie als verdacht worden aangemerkt. Om een voorbeeld te geven: stel dat een zelflerend systeem opmerkt dat berichten van een aantal specifieke kwalteitskranten nooit als nepnieuws worden aangemerkt, dan zou het uit voorzorg in de toekomst alleen maar berichten van deze bronnen kunnen laten zien. Dit zou tot een verschraling van het media-aanbod en tot het onderdrukken van legitieme perspectieven kunnen voeren.

En variant op de bovengenoemde oplossingen is om niet nepnieuws eruit te filteren maar juist echt nieuws te herkennen en bijvoorbeeld van een keurmerk te voorzien. Hoewel dit een minder strikte oplossing is (tenslotte worden de berichten zonder keurmerk niet helemaal geweerd, maar slechts minder vaak of minder prominent getoond), verandert dit het probleem niet wezenlijk.

En nu?

Om de discussie verder te voeren lijkt het een goed begin om het woord nepnieuws helemaal niet te gebruiken, maar specifiek te benoemen over welk probleem men het heeft. Om een voorbeeld te geven:

Slechte journalistiek of propaganda kun je misschien het beste bestrijden door in te zetten op mediawijsheid en mensen te leren betrouwbare bronnen te herkennen (het is trouwens een misvatting dat dit vooral bij jongeren speelt). Maar als je het hebt over bots die misleidende informatie massaal delen, dan kun je misschien het gebruik van dit soort bots beter via gebruikersvoorwaarden verbieden en dit dan door investeringen in automatische botdetectie handhaven. En daarnaast moeten we ook gewoon accepteren dat het bestaan van misleidende informatie een prijs is die we moeten betalen voor een open en democratische samenleving. Er zijn altijd mensen geweest die in de meest bizarre samenzweringstheorieën hebben geloofd. Alleen is dit nu beter zichtbaar. En dit los je niet op door overhaaste maatregelen om een diffuus concept als nepnieuws te bestrijden.