Een huis met een meid

 

Auteur: Marianne van Bochove

In Leven op stand, 1890-1940 beschrijft historica Ileen Montijn het huiselijk leven van de Nederlandse bovenlaag. Onderdeel van dat leven was vaak ook de dienstmeid, die inwoonde bij een echtpaar of gezin. Met haar boek wil Montijn een stukje van die ‘verloren wereld’ vastleggen. Maar is dat verleden wel echt zo ver weg? We vergelijken onderstaande fragmenten.

Den Haag, 1917

Bron: Rijksmuseum

Marie zit ’s avonds alleen in de grote, koude keuken. Ze heeft er al een lange dag op zitten, ze begon om half zeven met het openen van de luiken, het vegen van de hal en het klaarzetten van het ontbijt, en de dag eindige pas na het avondeten met het schoonmaken van de keuken. Hoewel, eindigde, ze moet nog steeds klaar zitten, want soms gaat het belletje, dan heeft mevrouw iets nodig. In de tussentijd breit ze sokken voor haar vader. Haar lieve vader… Ze mist haar familie. Maar mevrouw is goed voor haar en soms voelt het zelfs een beetje als familie. Marie krijgt kost en inwoning en verdient daarnaast een bescheiden loon. Een keer werd de eenzaamheid haar wat te veel, toen nam ze een glas brandewijn. Wat was mevrouw boos geworden! Marie was blij dat ze mocht blijven. Ze hoopt dat mevrouw een tweede meid in huis zal nemen, dan heeft ze wat gezelschap. Maar voorlopig zou het nog wel even blijven zoals het is. [1]

Den Haag, 2017

Bron: Pixabay

Olga wordt om vijf uur ’s nachts wakker. Ze hoort mevrouw op de gang. Mevrouw is moeilijk ter been, ze is al eens gevallen. Nu is er niets aan de hand gelukkig. Olga gaat weer naar bed en kan nog twee uur slapen, voor ze opnieuw gewekt wordt, dit keer door de wekker. Ze maakt beneden het ontbijt vast klaar en sorteert de was. Dan helpt ze mevrouw onder de douche. Olga praat in het Nederlands tegen mevrouw – ‘Kunt u arm omhoog doen?’ – maar mevrouw zegt meestal niet veel terug. Ze heeft Alzheimer en kan zich moeilijk in woorden uitdrukken. Het is dag tien, nog vier dagen, dan komt Evike haar aflossen. Ze werken allebei om de twee weken bij mevrouw en gaan tussendoor terug naar Hongarije. Olga voelt zich soms opgesloten in het huis. De dochter komt elke donderdagavond en zaterdag langs. De buurman zegt gedag als ze naar de supermarkt gaat. Verder ziet Olga weinig mensen. Hoewel, via Skype ziet ze er wel meer: haar vriend in Hongarije spreekt ze zelfs bijna elke avond even. Dat houdt haar op de been. Mevrouw is lief, het is als een oma voor haar, maar toch is het werk soms zwaar. Ze hoorde dat een andere verzorgster weggestuurd was, omdat ze op een avond een hele fles wijn had leeggedronken en een dure vaas had gebroken. Zover ziet Olga het bij zichzelf niet komen. [2]

Inwonende zorgverleners uit Midden- en Oost-Europa

De vergrijzing van de Nederlandse bevolking in combinatie met veranderende ideeën over goede zorg en kwaliteit van leven roept verschillende vragen op. Waar, hoe en door wie kan de benodigde zorg geleverd worden? Naast bestaande oplossingen als verpleeghuizen, thuiszorg en mantelzorg zien we ook nieuwe initiatieven. Eén daarvan is de inwonende buitenlandse zorgverlener.

Sinds ongeveer tien jaar zijn er in Nederland zorgverleners uit landen als Slowakije, Hongarije en Polen te vinden, die inwonen bij hulpbehoevende ouderen of jongere mensen met een beperking en hulp bieden bij de persoonlijke verzorging en het verrichten van huishoudelijke taken. Ze verlenen 24-uurszorg, wat in de praktijk neerkomt op nagenoeg continue beschikbaarheid. Hoewel de vrouwen vaak opgeleid zijn als (assistent-)verpleegkundige, mogen ze geen medicijnen toedienen of bijvoorbeeld stoma’s vervangen. Tenminste, op papier behoort dat niet tot hun taken. Bemiddelingsorganisaties, waarvan er naar schatting zo’n vijftien in Nederland actief zijn, plaatsen de vrouwen in een huishouden, stemmen met de betrokkenen af welke taken er verricht zullen worden, en monitoren de zorgverlening tussentijds. Sommige vrouwen verblijven voor langere tijd aaneengesloten in Nederland. Anderen – zoals Olga en Evike – werken als duo: ze wisselen twee weken werken in Nederland steeds af met twee weken vrij in het herkomstland.

Overeenkomsten en verschillen

De positie van de begin 20e-eeuwse meid en de begin 21e-eeuwse inwonende zorgverlener lijkt in verschillende opzichten op elkaar. Het inwonen bij een huishouden brengt verschillende (potentiële) moeilijkheden met zich mee. Zo is er sprake van beperkte vrije tijd. De vrouwen moeten continu beschikbaar zijn. Sommigen hebben één of twee dagen in de week vrij, anderen moeten het met minder doen. Daarnaast hebben ze een beperkte eigen plek. De vrouwen leven in het huis van een ander en hebben daar maar beperkte eigen ruimte; vaak alleen een eigen slaapkamer. Ze zijn deel van de familie, maar toch ook niet. De vrouwen wonen vaak voor langere tijd bij een persoon of familie in, waardoor er een zekere vertrouwdheid ontstaat. Maar het is en blijft een dienstverband dat opgezegd kan worden. Het werk maakt het ook moeilijk een eigen leven op te bouwen. Het leven van de vrouwen speelt zich grotendeels in het huis van anderen af. Veel tijd en ruimte om eigen persoonlijke relaties te onderhouden is er niet. Tot slot zijn ze grotendeels overgeleverd aan de omstandigheden. Afhankelijk van de situatie – een rijker of minder rijk huishouden, de mate van zorgafhankelijkheid, de aanwezigheid van een tweede meid of ondersteunende mantelzorgers – is het werk zwaarder of juist minder zwaar.

Maar er zijn ook belangrijke verschillen, die de positie van de ‘meiden’ van tegenwoordig deels prettiger, maar deels ook juist ingewikkelder maakt. Inwonende zorgverleners wonen bij een zorgbehoevende. De werkzaamheden betreffen niet alleen het huishouden, maar ook de persoonlijke verzorging van een vaak kwetsbare cliënt. De grenzen van wat wel en niet mag of verantwoord is zijn vaak minder duidelijk. De vrouwen komen vanuit een ander land en spreken een andere taal, wat de communicatie kan bemoeilijken en het zich ‘thuis’ voelen kan belemmeren. Een ander verschil is dat de inwonende zorgverleners ouder zijn. De meiden van vroeger waren vaak tieners; de vrouwen van nu zijn meestal rond de veertig en zijn daarmee vaak ook meer ervaren en zelfverzekerd. De meiden van vroeger werden rechtstreeks betaald door het huishouden waarin ze verbleven; inwonende zorgverleners worden meestal betaald door een organisatie die bemiddelt tussen vraag en aanbod. Zorgvragers gebruiken veelal hun persoonsgebonden budget (pgb) om de organisatie te betalen. De organisaties geven aan de zorgverleners het minimumloon te betalen. Tot slot, inwonende zorgverleners vertrekken als het hen niet bevalt. Ze bevinden zich net als de meiden van vroeger in een vrij kwetsbare positie. Maar ze hebben meer mogelijkheden om eventuele onvrede te uiten – ze zijn mondiger en kunnen aankloppen bij de bemiddelingsorganisatie – en geven aan met het werk te zullen stoppen als het niet meer naar tevredenheid is.

Vlucht

Op dit moment is inwonende zorgverlening in Nederland nog een relatief onbekend verschijnsel. Naar schatting zijn er slechts enkele honderden buitenlandse vrouwen die via bemiddelingsorganisaties in een huishouden terecht zijn gekomen. Gaat deze vorm van zorgverlening in de nabije toekomst een vlucht nemen? De managers van de bemiddelingsorganisaties denken van wel. Nederlandse ouderen willen steeds vaker en langer zelfstandig blijven wonen en de overheid maakt de overstap naar een zorginstelling moeilijker. Mantelzorgers zijn bereid veel taken op zich te nemen, maar hebben ook hun eigen gezin en betaalde baan en wonen niet altijd dichtbij. Wellicht zeggen we over een jaar of tien: ‘De meid in huis: een teruggevonden wereld’.

———

[1] De introductie over de fictieve meid Marie is gebaseerd op de beschrijvingen van het leven van dienstmeiden die Montijn geeft in het hoofdstuk ‘Dienst’ in haar boek Leven op stand, 1890-1940 (1998).

[2] De namen Olga en Evike zijn gefingeerd. De beschrijving is gebaseerd op de verhalen die zijn opgetekend in recent onderzoek naar inwonende buitenlandse zorgverleners. Dit onderzoek zal binnenkort verschijnen onder de titel Kwetsbaar en dan? Hoe inwonende buitenlandse zorgverleners en hun werkgevers omgaan met precaire arbeid (Van Bochove, Zur Kleinsmiede en Ashu, 2017).