Hoe de facto refoulement verkocht wordt als een oplossing voor de vluchtelingencrisis

Auteur: Dr. Nora Stel

Nederland heeft de ‘vluchtelingencrisis’ van 2015 met succes afgewend. Migratie, integratie en vluchtelingenbeleid staan nog steeds hoog op de politieke en maatschappelijke agenda, maar de ‘instroom’ van asielzoekers is teruggebracht naar voor Nederland normale proporties. Anno 2019 is de vluchtelingencrisis oud nieuws. Maar hoe heeft Nederland dit migratieprobleem eigenlijk opgelost? Daarvoor moeten we kijken naar het bredere Europese beleid dat de Nederlandse aanpak bepaalt.

De grote aantallen vluchtelingen die in 2015 veiligheid zochten in Europa kwamen voor een groot deel uit Syrië en Eritrea. Omdat zij meestal erkend werden als ‘echte’ vluchteling – in plaats van als economische migrant of ‘gelukszoeker’ – hebben de meeste van hen die in ons land asiel aanvroegen een verblijfsvergunning gekregen. Het verwelkomen van vluchtelingen was echter maar een relatief kleine component van de ‘oplossing’ voor het vluchtelingenvraagstuk. De fundamentele pijlers onder het Europese antwoord op wat we als een migratiecrisis zijn gaan zien zijn, ten eerste, het sluiten van de Europese buitengrenzen en, ten tweede, het terugvallen op ‘opvang in de regio.’

Dit heeft geresulteerd in enorme misstanden: vluchtelingen die aan de Turkse grens worden neergeschoten, misbruik en kinderarbeid in Libanon en slavenhandel in Libië. Door het sluiten van grenzen en het ‘outsourcen’ van opvang naar regionale transit- en gastlanden wordt de vluchtelingenproblematiek verplaatst. Dit is problematisch vanuit het oogpunt van solidariteit en het naleven van mensenrechten. Dergelijk NIMBY (not in my backyard) beleid ondermijnt bovendien de kern van het internationaal vluchtelingenrecht omdat het op verschillende manieren de facto refoulement in de hand werkt.

Non-refoulement verwijst naar de afspraak dat geen enkel land mensen gedwongen terug mag sturen naar een situatie waarin zij ernstig gevaar lopen. Deze verplichting is het fundament onder het internationaal vluchtelingenrecht. Door mensen die vluchten de toegang tot Europa te ontzeggen en door zich te verschuilen achter vaak erbarmelijk geregelde opvang in de regio dragen Nederland en andere Europese landen bij aan feitelijke gedwongen terugkeer naar levensbedreigende situaties.

De Noord-Afrikaanse poortwachters van Fort Europa: ingehuurd om migranten terug te sturen

Het Europese vluchtelingenbeleid wordt gekenmerkt door een enorme paradox. Enerzijds willen Europese landen zich aan het internationaal recht houden en zullen zij asielzoekers die een vluchtelingenstatus hebben gekregen opnemen. Anderzijds zijn er amper legale manieren om van buiten Europa asiel aan te vragen en worden mensen op zoek naar veiligheid dus gedwongen om een levensbedreigende reis te ondernemen om überhaupt om veiligheid te kunnen vrágen. Dit is een keihard ontmoedigingsbeleid: wanneer we migranten, onder wie vluchtelingen, de toegang tot Europa ontzeggen, ontnemen we hen daarmee ook de mogelijkheid om asiel aan te vragen, wetende dat die asielvraag in veel gevallen ingewilligd zou worden als zij Europa wel konden bereiken.

Deze perverse logica gaat echter verder dan ontmoediging. Veel migranten op weg naar Europa komen via Noord-Afrika. De Europese Unie heeft met deze Noord-Afrikaanse landen afspraken gemaakt over het tegenhouden van migranten. Dat lukt echter niet altijd. Veel migranten proberen via een hachelijke boottocht over de Middelandse Zee alsnog Europa te bereiken. De kustwachten van landen als Libië, Turkije en Egypte proberen hen niet alleen tegen te houden, maar maken ook actief jacht op deze ‘ontsnapte’ migranten en proberen hen terug te brengen. De migranten worden vervolgens niet gedeporteerd naar de landen waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, maar wel naar de transitlanden waar ze hun leven niet veilig zijn. Dit proces is dus in wezen een vaak dodelijke ‘refoulement industrie’ die het vluchtelingenrecht uitholt.

Syrische vluchtelingen in Libanon en de farce van de ‘vrijwillige’ terugkeer

Ook de andere pijler van het Europese vluchtelingenbeleid kan in de praktijk neerkomen op situaties van de facto refoulement. Dit wordt goed duidelijk als we kijken naar het lot van Syrische vluchtelingen in Libanon. De Syrische vluchtelingencrisis is een van de meest nijpende op dit moment. Libanon telt het grootste aantal vluchtelingen per hoofd van de bevolking ter wereld, wat een enorme sociaal-politieke problematiek met zich mee brengt. Nu het regime in Syrië het grootste deel van het land weer onder controle heeft, vinden veel Libanezen dan ook dat hun Syrische gasten zo snel mogelijk terug naar huis moeten. Libanese politici en overheidsinstanties onderschrijven dit en hebben verschillende initiatieven ontwikkeld om Syriërs actief aan te moedigen naar huis terug te keren.

Maar hoewel de oorlog in delen van Syrië voorbij is, is het voor veel gevluchte Syriërs absoluut niet veilig om terug te keren (vooral als zij zich op enigerlei manier tegen president Assad en zijn regime hebben gekeerd). Libanese bewindslieden houden vol dat alle vormen van terugkeer volledig vrijwillig zijn. Maar onderzoek laat zien dat het leven Syrische vluchtelingen in Libanon zo onmogelijk wordt gemaakt – door middel van repressieve wetgeving, ontheemding en sociaal-economische uitbuiting – dat er geen enkel alternatief is voor het aangemoedigde vertrek. Terugkeer wordt dan weliswaar niet direct met geweld bewerkstelligd, maar is wel degelijk afgedwongen en dus niet ‘vrijwillig’.

Door niet voldoende bij te dragen aan daadwerkelijk humane opvang in de regio en door zich afhankelijk te maken van transitlanden die moeten voorkomen dat vluchtelingen hun heil in Europa zoeken, maakt Europa zich medeplichtig aan dit soort vormen van de facto refoulement.

Kijk niet weg!

Een simpele oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk is er niet. Het voorkomen van de gewelddadige conflicten die mensen doen vluchten, de mogelijkheid om op afstand asiel aan te vragen en een veel omvangrijkere investering in regionale opvang zijn allemaal cruciale componenten van een meer substantiële aanpak. Daarvoor is echter allereerst een openhartige Europese zelfreflectie nodig. We moeten erkennen dat het huidige Europese beleid het probleem niet oplost, maar verplaatst en verdoezelt. We kunnen niet enerzijds mensenrechten prediken en het internationaal vluchtelingenrecht omarmen en anderzijds de schendingen van deze rechten faciliteren.