Democratiehulp gebaseerd op verkeerde aannames

Auteur: Dr. Jelmer Kamstra

Jelmer Kamstra is als onderzoeker verbonden aan het Center for International Development Issues Nijmegen (CIDIN), Radboud University. Zijn promotieonderzoek maakte deel uit van de IS-academie, een samenwerking tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het CIDIN met als doel om wetenschap en beleid met elkaar te verbinden.

De tijd van putten slaan en schooltjes bouwen is voorbij. Niet-Gouvernementele Organisaties (NGOs) in ontwikkelingslanden moeten zich gaan richten op het versterken van de democratie. Het idee hierachter lijkt goed: NGOs behartigen de belangen van het volk en treden op als kritische waakhond richting een corrupte overheid. Terwijl het nieuwe ontwikkelingsbeleid sterk inzet op deze politieke rol voor NGOs is het juist de bemoeienis van buitenaf die het vervullen van die rol in de weg staat.

Benadering

Voor mijn studie heb ik uitgebreid veldonderzoek gedaan bij NGOs in Ghana en Indonesië die werken aan het bevorderen van democratie met financiële steun van internationale donoren. Omdat er vaak wordt onderstreept dat democratieopbouw een context-specifiek fenomeen is, is er gekozen voor een vergelijking tussen twee erg verschillende landen zijn.

Verwachtingen komen niet uit

Uit mijn onderzoek blijkt dat democratie-bevorderende NGOs in zowel Ghana als Indonesië met name organisaties zijn zonder leden, die top-down worden geleid door een academische elite. Deze NGOs kunnen moeilijk de stem van het volk vertolken en het is de vraag in wiens naam zij lobbyen bij de overheid. Bovendien blijft de kritische waakhond vaak gemuilkorfd. Enerzijds omdat NGOs goede relaties met hun overheid niet willen schaden, anderzijds omdat protest moeilijk te organiseren is zonder achterban.

Democratiehulp ondermijnt zichzelf

Het paradoxale is dat donoren van ontwikkelingshulp onbedoeld bijdragen aan deze situatie. Zij vragen namelijk van NGOs dat ze een professionele organis
atie worden met een modern kantoor en hoogopgeleid personeel. Omdat deze manier van werken veel geld kost worden NGOs afhankelijker van financiële steun. NGOs richten zich daarom steeds meer op de wensen van donoren en steeds minder op die van het lokale volk. Dit zorgt er ook voor dat ze losgeweekt raken uit hun lokale context en erg op elkaar gaan lijken, terwijl ze in erg verschillende landen opereren. Een mensenrechten NGO uit Indonesië heeft wat dat betreft een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt:

“Before, we had the activists from the 90s generation, but since 2000 we see a different character. (…) I think the new generation has more expertise about human rights (…) but lacks the experience of organizing the basis, like peasants, workers, or the urban poor. (…) So we have very skillful staff for dealing with the government and for legal drafting, but they have a very limited knowledge about society”

Oftewel professionalisering leidt tot een sterke inhoudelijke bijdrage aan het thema mensenrechten, maar de link met het volk gaat verloren. Het is moeilijk om uit deze, voor zowel NGOs als donoren, ongewenste situatie te ontsnappen. Toch is het niet geheel onmogelijk.

Wat is de oplossing?

Indien het de bedoeling is om het volk erbij te betrekken, dan zal ontwikkelingshulp zich moeten richten op minder professionele organisaties die wel dicht bij het volk staan.
unnamed (1)

Vanwege de huidige strenge verantwoordingscultuur is het echter haast onmogelijk voor donoren om niet-professionele organisaties te ondersteunen omdat zij de capaciteit niet hebben om zich te verantwoorden. Daarnaast schuilt er ook nog een gevaar in deze strategie. Als ze onderdeel worden van de hulpwereld zullen ook zij moeten professionaliseren. Oftewel, zoals omschreven door een NGO expert in Jakarta, “ze zullen worden opgeslokt door de hulp-industrie”.

Een meer realistische optie is om NGOs in een middenpositie te ondersteunen. Deze NGOs vormen dan zowel de schakel als de buffer tussen de donor en lokaal-gewortelde organisaties. Hierbij is het van belang dat de tussenliggende NGOs zelf niet ook donoren worden. Dit kan worden voorkomen door deze NGOs geen geld over te laten maken naar lokale partners. In plaats hiervan kunnen zij lokale partners helpen op met capaciteitsopbouw en zorgen voor een betere verbinding met het nationale politieke systeem. Deze strategie wordt momenteel in Ghana al toegepast.

Naast een andere manier van handelen is de belangrijkste aanbeveling een andere manier van denken. De aannames achter het beleid zijn zelf problematisch. Deze gaan uit van een te ideale voorstelling van zaken die het zicht op hoe het er daadwerkelijk aan toe gaat in ontwikkelingslanden belemmert. Hierdoor sluit het beleid minder goed aan op de situatie in een land, en leidt zo juist tot verwijdering van de nagestreefde idealen. Het advies dat uit mijn onderzoek voortkomt is dan ook om in beleid een betere scheiding aan te brengen tussen hoe dingen werken en hoe dingen idealiter zouden moeten zijn. Op deze manier zullen beleidsdoelen realistischer worden en beter aansluiten bij lokale behoeftes.

Copyright 2015, All rights reserved | gepubliceerd: 16-04-2015