Terugkeer als vooruitgang?

Auteur: Dr. Marieke van Houte

Marieke van Houte is postdoctoraal onderzoeker aan het International Migration Institute aan de Universiteit van Oxford. In november 2014 promoveerde ze aan de Universiteit Maastricht met een proefschrift over terugkeermigratie na conflict.

Als asielzoekers uitgeprocedeerd zijn wil het gastland dat ze terug gaan naar het land van herkomst. Het is erg optimistisch om te verwachten dat deze afgewezen asielzoekers na terugkeer gaan bijdragen aan ontwikkeling en vredesopbouw in hun land. Toch is dit de belangrijkste peiler van het ‘migratie en ontwikkeling’ beleid van veel Europese landen, inclusief Nederland. Het idee is dat migranten in Europa kennis en ervaring hebben opgedaan die ze bij terugkeer kunnen inzetten na de wederopbouw van hun land. Het geld dat teruggekeerde asielzoekers meekrijgen wordt daarom betaald uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking.

Gedwongen of ‘vrijwillig’?

Het gedwongen uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers kost de staat veel geld (denk aan de kosten van een verblijf in een detentiecentrum, en van een team marechaussees dat mee moet op het vliegtuig). Het geven van een terugkeerpremie (Assisted Voluntary Return) – ter waarde van een paar duizend euro aan afgewezen asielzoekers en ongedocumenteerde migranten die in ruil daarvoor ‘vrijwillig’ meewerken aan hun terugkeer is veel goedkoper, en humaner, dan gedwongen uitzetten. Daarom richt de overheid zich op deze ‘vrijwillige’ terugkeer.

Toch gaan afgewezen asielzoekers niet graag terug naar een land als Afghanistan, Sierra Leone, Pakistan, of Irak. Ze vrezen voor hun veiligheid en zijn bezorgd dat ze niet voor hun familie kunnen zorgen. Toen ik ze in die landen opzocht en interviewde, bleek hun leven onzeker: je bent jaren weggeweest en je hebt al je geld opgemaakt aan een mislukte reis naar Europa. Er is weinig werk. Mensen wantrouwen je: ze denken dat je iets fout gedaan hebt en daarom terug moest.

Ontwikkeling na terugkeer?

Uit mijn dieptestudie onder 35 terugkeerders in Afghanistan blijkt dat alleen migranten die een permanente verblijfsstatus in Europa hebben en er toch vrijwillig voor kiezen om terug te gaan, mogelijk zouden kunnen bijdragen aan ontwikkeling.

unnamed

Deze groep bestaat uit vluchtelingen uit een hogere sociaal-economische klasse die begin jaren negentig in Europa aankwamen. Het asielklimaat was toen soepeler dan nu. Nadat ze een vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning hadden gekregen, konden ze werken en studeren in Europa. Ze keerden terug naar Afghanistan op een zelfgekozen moment. Wat ze proberen te bereiken lukt niet altijd. Maar hun optimisme en pro-actieve houding werkt verfrissend in de door conflict verscheurde Afghaanse samenleving. Hun Europese paspoort helpt hen daarbij.

‘Ik ben hier om iets te doen. Mijn Nederlandse paspoort geeft me de durf om iets te doen. Een Afghaan zou nooit voor vrouwenrechten vechten. Maar ik doe het wel. Want als er iets gebeurt, dan kan ik weg’ (Wahid).

Maar gek genoeg zijn dit niet de mensen aan wie het ontwikkelingsgeld besteed wordt: Het meeste geld dat geoormerkt is voor migratie en ontwikkeling gaat op aan de terugkeerpremie voor afgewezen asielzoekers en ongedocumenteerde migranten. Zij zijn vaak van meer bescheiden afkomst, kwamen pas later aan in Europa en maakten minder kans op een vluchtelingenstatus. Ze leefden met beperkte rechten voordat ze onvrijwillig teruggingen. De premie die ze bij vertrek meekregen, maakt niet goed wat ze verloren door de mislukte reis en de jaren van verplicht nietsdoen in een asielzoekerscentrum. De meeste mensen weten opnieuw te overleven, maar hun terugkeer draagt op geen enkele manier bij aan de ontwikkeling en vredesopbouw in hun land van herkomst. Hun ervaring in Europa is eerder een nadeel dan een voordeel.

‘Als ik gearresteerd wordt door de Taliban en ze komen erachter dat ik zes jaar in Nederland was, denk je dat ze me dan laten gaan? Echt niet’. (Ajmal)

Beleid versus realiteit

Mijn proefschrift toont dus een groot verschil aan tussen de toekenning van ontwikkelingsbudget enerzijds en het ontwikkelingspotentieel van terugkeermigranten anderzijds.

Beleidsmakers zijn zich bewust van dit verschil tussen beleid en realiteit. Maar het beeld dat afgewezen asielzoekers bij gaan dragen aan ontwikkeling, helpt hen om dit politiek gevoelige onderwerp uit te leggen aan een breed publiek, en om niet-gouvernementele organisaties mee te krijgen in de uitvoering van dit beleid. Dit is echter niet zonder risico. Teruggekeerde asielzoekers die een veel minder rooskleurige situatie aantreffen dan hen was voorgehouden raken teleurgesteld en boos. Dat kan destabiliserend werken en ondermijnt juist het doel van dit beleid. Beter is het om realistische verwachtingen te scheppen.

Geld meegeven zodat ex-asielzoekers meewerken met terugkeer is in het belang van Nederland, maar helpt niet bij de ontwikkeling van het land. Mijn aanbeveling is daarom: noem feitelijk onvrijwillige terugkeer geen ontwikkeling en betaal het niet langer uit ontwikkelingsbudget, maar uit het budget van bijvoorbeeld Veiligheid en Justitie. Alleen vrijwillige terugkeer van mensen die echt iets te bieden hebben, en die bovendien vrij zijn om weer te vertrekken, kan mogelijk bijdragen aan ontwikkeling.

Meer lezen?

 Dit artikel is gebaseerd op het proefschrift Moving Back or Moving Forward? Return migration after conflict, dat je hier kunt downloaden.

Contact?

Mail naar: marieke.vanhoute@qeh.ox.ac.uk

 

 All rights reserved | copyright 2015 | gepubliceerd op 17-04-2015