De ongeduldige burger

Auteur: Peter van Dam

‘Laat de leeuw niet kopje onder gaan’ zongen demonstranten vrolijk op weg naar de klimaatmars in Amsterdam op 10 maart 2019. Met leuzen als ‘De vervuiler betaalt’, ‘Deze weg loopt dood’ en ‘Climate justice now’ demonstreerden veertigduizend mensen voor een ambitieuzer en eerlijker klimaatbeleid. Een coalitie van maatschappelijke organisaties had het initiatief voor de manifestatie genomen. Ze wilden de Nederlandse regering zo laten zien dat burgers een ander klimaatbeleid wilden.

Het was opmerkelijk dat een coalitie van Milieudefensie, FNV, Oxfam Novib, Greenpeace, DeGoedeZaak en de Woonbond zo snel zoveel mensen op de been kon brengen. De massale opkomst bevestigt een fundamentele verandering van maatschappelijk activisme die burgerrechtenactivist en hoogleraar David Cole onlangs schetste. In het verleden was een massale demonstratie het eindpunt van jarenlange inspanning. Wie zo’n demonstratie op touw kon zetten, moest een enorme achterban hebben. Tegenwoordig kunnen actievoerders met behulp van sociale media heel snel een grote groep mensen op de been brengen. De grote vraag is vervolgens of ze erin slagen deze mensen blijvend bij het onderwerp te betrekken. [zie David Cole, ‘The path of greatest resistance’, 7 februari 2019,]

Wat doet de politiek?

Ook politieke partijen als GroenLinks, SP en PvdA steunden de klimaatmars afgelopen maart. Zij kennen als geen ander het probleem van de wankele relatie met burgers. Politici leven in voortdurende angst bij de volgende verkiezingen ‘afgerekend te worden’. Die angst is niet het gevolg van een gebrek aan betrokkenheid bij de politiek, maar eerder van het tegendeel: burgers verwachten veel meer van de politiek dan in het verleden en zijn op veel meer manieren betrokken bij die politiek. Als gevolg daarvan is de politiek echter ook specialistischer en trager geworden. Juist omdat burgers iedere politieke ontwikkeling op de voet kunnen volgen, kunnen ze het geduld voor deze trage en specialistische politiek niet opbrengen.

De verwachtingen van de politiek zijn in de loop van de vorige eeuw enorm gestegen. Zo stond aan het begin van de twintigste eeuw nog ter discussie of de overheid wel een taak had op terreinen als huisvesting, gezondheidszorg en milieu. Tegenwoordig twijfelt niemand meer aan deze vraag. Ook het streven naar meer markt en meer burgerparticipatie heeft daaraan niets veranderd. De overheid blijft de kaders stellen en levert in veel gevallen bovendien een aanzienlijke financiële bijdrage. De populistische kritiek van een nieuwkomer van weleer als Pim Fortuyn ging dan ook niet over een te brede taakopvatting van zittende politici, maar over een vermeend gebrek aan daadkracht.

Inmenging van maatschappelijke organisaties

Niet alleen de thema’s, maar ook het aantal bij de politiek betrokken spelers verbreedde. Rondom de nieuwe politieke kwesties mengden zich allerlei nieuwe organisaties en bewegingen in debatten en beleid[i]. Sinds het begin van de twintigste eeuw groeiden woningbouwverenigingen dankzij een hechte samenwerking met de overheid uit tot cruciale partners op het gebied van huisvesting. Vanaf de jaren zestig betraden organisaties als Novib (tegenwoordig OxfamNovib), HIVOS, ICCO en Cebemo (tegenwoordig Cordaid) het toneel toen ontwikkelingssamenwerking een politiek thema werd. In de jaren zeventig gebeurde hetzelfde rondom het milieu met organisaties als Greenpeace en Milieudefensie. Maatschappelijke organisaties voorzagen in een behoefte: ze gaven burgers een nieuwe mogelijkheid om hun stem te laten horen rondom een specifiek thema en konden politici en ambtenaren voorzien van specialistische kennis op ingewikkelde beleidsterreinen. Om het toegenomen belang van de politiek recht te doen, gingen politici en beleidsmakers bovendien op zoek naar nieuwe manieren om burgers met nieuwe vormen van inspraak en participatie nauwer bij politiek te betrekken. De media volgden de politiek bovendien steeds nauwgezetter en brachten het politieke bedrijf zo dichterbij dan ooit[ii].

De verbreding van het politieke speelveld en het grotere aantal spelers maakte politiek belangrijker, complexer en dus ook trager. Veranderingen vereisen een combinatie van specialistische kennis, brede coalities en een lange adem. Dat zorgt voor wrijving. Burgers stemmen niet alleen op politieke vertegenwoordigers, maar steunen ook allerlei maatschappelijke organisaties, demonstreren, mogen deelnemen aan allerlei ‘participatietrajecten’. Ze kunnen de politieke gang van zaken via de media ook nog eens op de voet volgen. Ze verwachten veel dan de politiek en zijn op veel meer manieren dan voorheen betrokken, maar hebben ook minder geduld met de mensen die ze delegeren om hun belangen te behartigen. Betrokkenheid bij de politiek is belangrijk, maar ondermijnt het representatieve stelsel wanneer burgers politici niet het vertrouwen en de tijd geven om de gewenste veranderingen in de praktijk te brengen.

Demonstraties zijn slechts het begin

Bron: Flickr

Het klimaatbeleid is een treffend actueel voorbeeld. Voor en na de demonstratie in Amsterdam werkten talloze betrokkenen aan voorstellen om de dreigende milieucatastrofe af te wenden. Deze alledaagse praktijk van politieke besluitvorming staat in schril contrast met grootse demonstraties. Wie echt iets wil veranderen, kan na de demonstratie niet tevreden achteroverleunen. Zo bezien is het een hoopvol teken dat jongeren niet slechts één keer spijbelden voor het klimaat, maar al verschillende keren de straat op gingen. Dat de Zweedse initiatiefnemer van het ‘klimaatspijbelen’ Greta Thunberg in het Europees parlement mocht spreken laat zien dat de demonstranten de politiek hebben bereikt. Om de gewenste resultaten te behalen is vervolgens echter een blijvende betrokkenheid bij maatschappelijke organisaties en politieke partijen nodig. Een massale manifestatie is tegenwoordig niet het hoogtepunt van een lange organisatorische aanloop, maar mogelijk wel het begin van een beweging.

 

i      Matthew Hilton e.a., The politics of expertise: how NGOs shaped modern Britain (Oxford 2013)

ii    Harm Kaal, De cultuur van het televisiedebat – veranderende percepties van de relatie tussen media en politiek, 1960-heden‘, Tijdschrift voor Geschiedenis 127 (2014) 2, 293-316.

Wim de Jong, Van wie is de burger? Omstreden democratie in Nederland 1945-1985 (Dissertatie Radboud Universiteit Nijmegen 2014)