Jongeren over de mogelijkheden om hun houdingen ten opzichte van democratie te ontwikkelen

Auteur: Hessel Nieuwelink, MSc.

‘Democrats are made, not born’, zo wordt vaak gezegd. Het is echter wel de vraag waar mensen dan leren democraat ‘te worden’. Er wordt veel verwacht van het onderwijs en het verenigingsleven. Dat zouden ‘oefenplaatsen voor democratie’ zijn doordat jongeren daar politieke kennis opdoen, democratische houdingen ontwikkelen en aangezet worden tot maatschappelijke en politieke participatie (Fung, 2003, Gutman, 1999; Putnam, 2000; Warren, 2000). Maar over de mate waarin en op manieren waarop jongeren daartoe in staat worden gesteld, is nog veel onbekend.

Dit onderzoek

Binnen dit onderzoek kijken wij naar de perceptie van jongeren op de mogelijkheden die zij hebben om democratische houdingen te ontwikkelen, op school en in andere sociale contexten. Daarbij staan houdingen omtrent discussievoering, collectieve besluitvorming en maatschappelijke betrokkenheid centraal. Omdat jongeren nog weinig ervaring met politieke democratie hebben (Nieuwelink, Dekker, Ten Dam & Geijsel, 2013), richten wij ons op ervaringen in hun dagelijks leven. Een groep van veertig leerlingen is op individuele basis tweemaal geïnterviewd  (in tweede en vierde klas) en zij en hun klasgenoten hebben de vragenlijst Burgerschapscompetenties ingevuld (voor beschrijving zie Ten Dam, Geijsel, Reumerman, & Ledoux, 2011). Omdat voor de politieke houdingen van volwassenen opleidingsniveau een belangrijke verklaring is, participeren 20 vmbo b/k- en 20 vwo-leerlingen in het onderzoek. Hier worden enkele resultaten van de eerste ronde van interviews besproken.

 Vraagtekens bij ‘oefenplaatsen voor democratie’

In de beleving van de deze jongeren vinden discussies vaker plaats binnen de school dan binnen bijvoorbeeld sportverenigingen. Deze discussies gaan dan echter volgens hen eerder over praktische zaken (zoals verplaatsen van een les) dan over maatschappelijke kwesties. Dit geldt zowel voor vmbo-scholen als voor de vwo-scholen. Tussen jongeren bestaan aanzienlijke verschillen in de mate waarin zij met hun ouders en vrienden discussiëren. Sommigen discussiëren dagelijks, sommigen zelden.

Het samen nemen van besluiten komt in de beleving van deze jongeren op school weinig voor. Als het al voorkomt, bijvoorbeeld bij roosterkwesties, gebeurt dat meestal bij meerderheidsbesluit, waarbij dan beperkte ruimte bestaat om argumenten uit te wisselen. Rondom schoolregels of vormgeving van het onderwijs ervaren de geïnterviewden geen inspraakmogelijkheden. Ook hier zien we geen verschil tussen de vmbo-scholen en de vwo-scholen. In de thuissituatie en met vrienden maken deze jongeren doorgaans gezamenlijke besluiten via overeenstemming. In (sport)verenigingen worden besluiten niet door jongeren genomen en is hun inspraak zeer beperkt.

De mate waarin betrokkenheid bij onderwerpen in de nabije omgeving gestimuleerd wordt verschilt volgens deze jongeren in grote mate. Sommigen ervaren een stimulans van hun docent of ouders om aan te geven als zij het ergens mee oneens zijn, anderen ervaren dat met name docenten niet zitten te wachten op hun opmerkingen. Ook hier zien we geen verschillen tussen vmbo- en vwo-leerlingen. Betrokkenheid bij bredere maatschappelijke of politieke vraagstukken wordt, voor zover dat al gebeurt, vooral gestimuleerd door ouders, zo zeggen deze jongeren. Op school is dat eerder uitzondering dan regel.

 Conclusies

Op basis van dit onderzoek denken wij dat er vraagtekens gesteld moeten worden bij de grote verwachtingen die bestaan over de rol van de school en het verenigingsleven als ‘scholen voor democratie’. De meeste geïnterviewde jongeren ervaren dat er slechts beperkte ruimte is om democratische houdingen te ontwikkelen, en daarbij bestaan zeer beperkte verschillen tussen vmbo- en vwo-leerlingen. Bij sommige scholen bestaan de mogelijkheden wel. Grootschalig onderzoek is nodig om te kijken of dit beeld voor meer jongeren opgaat. Daarnaast is het voor een effectiever burgerschapsonderwijs belangrijk dat er meer geleerd wordt van de scholen waar jongeren ruimte ervaren om democratische houdingen te ontwikkelen.

Door: Hessel Nieuwelink, MSc. | h.nieuwelink@uva.nl / h.nieuwelink@hva.nl

Hessel Nieuwelink is politicoloog en werkt bij het Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding van de HvA en doet promotieonderzoek naar democratische gezindheid van Nederlandse middelbare scholieren, onder begeleiding van Geert ten Dam (UvA), Paul Dekker (UvT) en Femke Geijsel (UvA).

 

Referenties

  • Fung, A. (2003). Associations and Democracy. Between Theories, Hopes, and Realities. Annual Review of Sociology,29, 515–539.
  • Gutman, A. (1999). Democratic education. Second Edition. Princeton: Princeton University Press.
  • Nieuwelink, H., Dekker, P, Dam, G. ten, & Geijsel, F. (2013). ‘Democratie gaat altijd voor’. Denkbeelden van Nederlandse jongeren over democratie en besluitvorming. Res Publica. Politiek-wetenschappelijk tijdschrift van de Lage Landen, 55 (2), 157-176.
  • Putnam, R. D. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community. New York: Simon & Schuster.
  • Dam, G. ten, Geijsel, F., Reumerman, R., & Ledoux, G. (2011). Measuring young people’s citizenship competences.
  • European Journal of Education, 46(3), 354-372.
  • Warren, M.E. (2001). Democracy and Associations. Princeton: Princeton University Press.