Moslimmigranten en feminisme, twee tegenpolen?

Door: Marijn van Klingeren

Saskia Glas schreef in mei een blog over haar onderzoek naar feminisme in Arabische landen. Zij vond dat sterk religieuzen (zowel mannen als vrouwen) in die landen in twintig procent van de gevallen feminisme steunden, tegenover vijf procent van de ongelovigen. Een kleine, maar substantiële minderheid kan vrouwengelijkheid dus prima rijmen met sterk religieus gedachtegoed. Een opvallende bevinding, want islam wordt door de meeste mensen niet geassocieerd  met feministisch gedachtegoed. Niet in Arabische landen, maar ook niet in Nederland.

Sterker nog, vaak wordt de islam juist gezien als een religie die niet samengaat met moderne westerse waarden, waaronder gendergelijkheid en homo-emancipatie. Daarmee zouden moslims die naar Nederland komen dus de ontwikkelingen binnen Europa op deze gebieden tegen kunnen gaan. Aangezien naar verwachting de moslimpopulatie in Europa zal stijgen van 4,9 naar 14 procent in 2050 is de dreiging voor het feminisme en homo-emancipatie wellicht wel reëel.

Religie en vrouwenemancipatie gaan niet goed samen

Die 20 procent in de studie van Glas en collega’s is een substantiële groep, maar nog altijd een minderheidsgroep. In de praktijk gaat religie maar  zelden samen met ruimdenkendheid. Dit geldt overigens niet enkel voor islam. De meeste religies hebben een patriarchale grondslag waarbinnen vrouwenemancipatie geen plek heeft. En met name onder moslims wordt consequent een sterk negatief effect gevonden van de mate van gelovigheid op de mening van mensen over gelijke kansen en rechten voor mannen en vrouwen. Maar wat gebeurt er met de mening van mensen die vanuit een moslimland naar Europa migreren, wanneer zij geconfronteerd worden met normen die ingaan tegen de normen waarmee ze zijn opgegroeid?

Verandert de rol van religie door migratie naar Europa?

Eerder onderzoek heeft aangetoond dat migranten in de loop der tijd steeds meer egalitair gedachtegoed aannemen. Maar of dat komt door of ondanks het moslimgeloof wist men nog niet. Twee mechanismen zouden hieraan ten grondslag kunnen liggen. Ten eerste zouden moslimmigranten in Europa een meer seculiere levenswijze aan kunnen nemen en daardoor dus ook liberaler gedachtegoed (het aanpassingseffect). Een tweede mogelijkheid is  dat mensen  door de tijd heen hun religie wat minder als leidraad gaan nemen voor hun houdingen. Waardoor ze dus even religieus blijven, maar daarnaast progressiever gedachtegoed overnemen (het ontkoppelingseffect).

Op basis van de European Social Survey (ESS) concludeerde eerder onderzoek dat, wanneer een moslimmigrant langere tijd in Europa is, deze iets minder religieus wordt, wat weer samengaat progressiever gedachtegoed (aanpassingseffect). Dit aanpassingseffect biedt echter geen verklaring bieden voor de verschillen in houdingen tussen de eerste en tweede generatie moslimmigranten. Daarop ging ik samen met collega Niels Spierings op onderzoek uit. Hoe zat het dan precies met die verschillen tussen generaties, zien we daar dan wel een ontkoppelingseffect?

Religie speelt in een land als Nederland een veel minder prominente rol dan in Turkije of Marokko. De eerste figuur hieronder laat dan ook zien dat religiositeit lager is onder moslimmigranten die hier gesocialiseerd zijn (generatie 1,5 tot en met 3) dan bij de ‘blijvers’ of de eerste generatie. Deze afname zou mogelijk samen kunnen gaan met meer steun voor gendergelijkheid, maar dat hoeft niet zo te zijn.

In onderstaande grafieken zien we de gegevens van enkele duizenden Turkse moslims en worden de blijvers (Turken die in Turkije zijn gebleven) vergeleken met verschillende generaties migranten naar Europa. De eerste generatie zijn mensen die hier naartoe zijn gekomen na de basisschoolleeftijd; generatie 1,5 zijn mensen die op jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen en hier gesocialiseerd zijn; generatie 2 zijn de kinderen van generatie 1; Generatie 2,5 zijn zij met 1 Europese ouder en 1 ouder die 2de generatie migrant is; generatie 3 zijn de kinderen van generatie 2.

Voor het aanpassingseffect  vinden we, net als in eerder onderzoek, weinig bewijs. Vooral tussen generatie 1 en 1,5 lijkt het grootste verschil te zitten in religiositeit als ook in houdingen ten opzichte van gendergelijkheid. Deze gendergelijkheidshoudingen meten we aan de hand van twee items ‘Een universitaire opleiding is belangrijker voor jongens dan voor meisjes’ en ‘over het algemeen zijn mannen betere business executives dan vrouwen’. Hiervan zijn de gemiddelden genomen en de scores zo omgedraaid dat een hogere score meer gendergelijkheid meet. De latere generaties zijn minder religieus en meer pro gender gelijkheid. En, hoewel onderstaande figuren dit wel suggereren, kunnen we het verschil in houdingen niet verklaren aan de hand van verminderde religiositeit. Het zijn dus niet (enkel) de mensen die minder religieus zijn die meer gender gelijke houdingen aannemen.

Bron: 2000Families Survey, 2015, n = 4076

We vinden in deze studie wel dat religie een sterker effect heeft op de houdingen van  zogenoemde ‘blijvers’ dan onder migranten (G1 tot 3). Dit is een teken dat er onder migranten in zekere mate ontkoppeling plaatsvindt en religie dus minder een rol speelt bij de houdingen van moslims wanneer ze naar Europa verhuizen. Overigens vinden we dit ontkoppelingseffect tussen houdingen en religie met name onder vrouwen. Die als de ‘hoeders van hun cultuur’ worden gezien. Zij zijn dus meer in staat om hun religieuze activiteiten los te koppelen van hun houdingen. Wellicht omdat zij het meest te winnen hebben wanneer het aankomt op vrouwenemancipatie.

Wat betekent dit voor de toekomst in Europa?

We concluderen dat migranten na de eerste generatie meer gendergelijkheid aanhangen. Dit gebeurt voor een gedeelte van hen terwijl ze onverminderd religieus zijn. Daarnaast vindt er ook een aanpassing plaats in de mate waarin men religieus is, wat dan weer niet persé samengaat meer egalitaire houdingen ten opzichte van gendergelijkheid.

Kortom, een oplossing voor betere integratie op het gebied van gendergelijkheid ligt dus niet (enkel) bij islam. Zeer waarschijnlijk zijn er andere culturele factoren die een rol spelen, negatieve ervaringen met het gastland (denk aan discriminatie of uitsluiting), en andere zaken waardoor mensen niet geneigd zijn om hun houdingen aan te passen. Daarnaast zijn mannen wat meer star in hun houdingen, zij hebben dan ook meer te verliezen. We hoeven dan ook niet bang te zijn dat Europa  door islamisering een stap terug gaat in de tijd wanneer het aankomt op  vrouwenemancipatie, aangezien de twee fenomenen zich van elkaar los lijken te koppelen. Wellicht dat we onze pijlen daarvoor op andere zaken moeten richten.

——–

De resultaten gepresenteerd in dit stuk zijn gebaseerd op nog niet gepubliceerde analyses, gelieve deze dus niet zonder toestemming van de auteurs te reproduceren.