Niet ik, maar jij! Vinger wijzen in het debat over uitsluiting op de arbeidsmarkt

Auteur: Anne Kroon

“Maar het is gewoon zo.” Meer argumentatie meende Thierry Baudet niet nodig te hebben voor zijn stelling dat vrouwen minder excelleren op de werkvloer. Het nieuwe Kamerlid lijkt het probleem van zijn uitspraak in de Quote niet in te zien. Het veelvuldig bekeken fragment werd in de afgelopen weken uitvoerig besproken en fel bekritiseerd.

Slechts enkele dagen voordat Baudet zijn provocerende uitspraak deed, kaartten ministers Blok (Justitie) en Asscher (Integratie) het onderwerp discriminatie in de Kamer aan. De heren uitten onder andere hun bezorgdheid over de ongelijkheid op de arbeidsmarkt, niet alleen wat betreft vrouwen, maar ook waar het gaat over oudere werknemers en etnische minderheden, en vroegen zich af waarom discriminatie vaak onbestraft blijft.

Problematisch, zo beaamde de Kamer. Over de vraag wie schuld heeft aan discriminatie was echter minder overeenstemming. Volgens de PVV is uitsluiting van minderheden het gevolg van immigratie en de daarmee gepaarde onderdrukking. “Als discriminatie al een probleem is in Nederland, dan is het discriminatie vanuit de islam”, aldus de Graaf (PVV). Anderen brachten daarentegen dat juist dergelijk taalgebruik aanzet tot uitsluiting. Weer anderen vroegen zich af of het niet allemaal wel meevalt – is het geen aanstelleritis? Baudet op zijn beurt ziet geen enkel probleem. Het is immers gewoon zo.

Polariserend debat

Kortom, in het debat over discriminatie en stereotypering heeft al snel de ander het gedaan. “Een polariserend debat, waar vaak makkelijk politieke munt uit geslagen wordt”, verwoordde Arissen van de PvdD het treffend. Dit is een belangrijke misvatting in het debat over uitsluiting op de arbeidsmarkt, anderen – maar niet wijzelf – zijn het probleem. Als gevolg hoeven we niet naar onszelf te kijken.

Stapels rapporten en artikelen bewijzen echter dat uitsluiting alledaags en veelvoorkomend is. Uitsluiting kan (maar hoeft niet) het gevolg te zijn van vooroordelen – ofwel cognitieve schema’s – die ieder van ons heeft. Het hebben van vooroordelen is niet altijd slecht; sterker nog, we hebben ze nodig om orde te scheppen in onze chaotische wereld. Soms zijn we ons niet eens bewust van dergelijke cognitieve schema’s; stereotypen werken voor een deel op een impliciet niveau. Impliciete stereotypen zijn echter niet minder onschuldig. In bepaalde contexten – met name onder tijdsdruk en in ambigue situaties – kunnen impliciete vooroordelen ons gedrag beïnvloeden. Met als gevolg dat wij beslissingen maken op basis van vooroordelen in plaats van rationele argumenten. Dat is riskant, met name op de werkvloer – waar we dagelijks beslissen over de juiste persoon voor de functie, training of promotie. Het zijn niet alleen anderen die vatbaar zijn voor de invloed van (impliciete) vooroordelen op ons dagelijks handelen – wij zijn het allemaal.

De rol van de media

De media zijn een belangrijke bron van de beeldvorming van kwetsbare groepen in onze samenleving. Via de media worden we op dagelijkse basis geconfronteerd met dominante rolpatronen, gewenst gedrag en veronderstelde eigenschappen van groepen in onze samenleving. Door een oeroud en dominant stereotype over vrouwen te poneren als zijnde waarheid, draagt Baudet als prominent mediafiguur daar zijn steentje aan bij.

Een tweede belangrijke misvatting in het debat over discriminatie is dat het wel zal meevallen. Dat valt het niet. Diverse studies laten zien dat uitsluiting op de werkvloer negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld het psychologisch welzijn en de motivatie van werknemers. Daarnaast kunnen stereotypen werken als een self-fulfilling prophecy. Een recente studie toont aan dat enkel de angst te voldoen aan dominante stereotypering (stereotype threat) ervoor zorgt dat vrouwen minder goed presteren.

Het bestraffen van discriminatie

Waarom wordt discriminatie dan niet bestraft? Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig. Vraagstukken omtrent discriminatie en stereotypering zijn pijnlijk persoonlijk en vereisen een zekere mate van introspectie. Echter, en in tegenstelling tot de provocerende retoriek van Baudet, zijn de meeste mensen behouden over hun overtuigingen over kwetsbare groepen (lees: vrouwen, ouderen, vluchtelingen, etc.). Omdat mensen stereotypering en discriminatie moreel verwerpen – of omdat ze bang zijn voor maatschappelijke afkeuring indien zij hun vooroordelen uitspreken. Dit betekent echter niet dat die vooroordelen er niet zijn. Erkenning van het probleem vraagt dus om een zekere mate van persoonlijke confrontatie. Dit is noodzakelijk om te kunnen reflecteren op de momenten waarop beeldvorming een rol speelt, verantwoordelijkheid te nemen en actief weerstand te bieden tegen de invloed van vooroordelen op gedrag.

Naast de erkenning van het probleem, is het rapporteren van discriminatie problematisch. Ter illustratie, terwijl meer dan een kwart van de oudere werkzoekenden leeftijdsdiscriminatie ervaart, komen er van deze groep jaarlijks slechts enkele tientallen officiële meldingen binnen bij het College voor de Rechten van de Mens. Mogelijk spelen angst voor de gevolgen van een officiële melding hierbij een rol.

Zonder eerlijke discussie over de ernst en oorzaken van discriminatie op de werkvloer, heeft een mogelijke oplossing weinig kans van slagen. De slachtoffers van de arbeidsmarkt zijn daar niet mee geholpen. Erkenning van het feit dat wij allen vatbaar zijn voor de invloed van stereotypen op ons gedrag is een eerste noodzakelijke stap om verandering te bewerkstelligen. De schuld afschuiven op anderen, of het probleem bagatelliseren, brengt ons niet verder. Van Kamerleden zouden we het goede voorbeeld mogen verwachten. Onder meer omdat hun opvattingen vaak resoneren in de media, met mogelijke gevolgen voor de maatschappelijke beeldvorming van minderheden. In plaats daarvan wordt het debat over uitsluiting op de arbeidsmarkt te vaak strategisch misbruikt om eigen politieke standpunten voor het voetlicht te brengen.