Participatiesamenleving en de zorg: een keuze voor ongelijkheid

Auteur: Wouter De Tavernier

In de nasleep van de financiële crisis in 2008 is ‘de participatiesamenleving’ het politieke mantra geworden. Niet de overheid, maar burgers moeten zelf de verantwoordelijkheid nemen voor het welzijn van hun directe omgeving. Als Woord van het Jaar wist het in 2013 als geen ander de politieke tijdsgeest samen te vatten: als liberale heruitvinding van het christendemocratische subsidiariteits­principe kon het welzijn garanderen in budgettair krappe tijden. Vooral voor de zorg wordt steeds meer naar de omgeving gekeken, om het onvermijdelijke tekort in de professionele zorg deels op te vangen met mantelzorg.

Dat het achterliggende idee in Nederland al langer overwogen wordt, getuigt de waarschuwing die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al in 2006 meegaf in haar rapport ‘De Verzorgingsstaat Herwogen’[i]: professionele zorg kan niet zomaar door mantelzorg vervangen worden. Vanuit Nederland is de ‘vermaatschappelijking van de zorg’ vervolgens overgewaaid naar Vlaanderen, waar het sinds een vijftal jaar tot de strategische doelen van beleidsmakers in de zorgsector hoort.[ii]

Ongelijkheid en mantelzorg

Het idee is echter niet onbesproken. Zo luidt een van de kritieken dat mantelzorg ongelijkheid in de hand werkt. Bij gebrek aan tijd moeten mantelzorgers prioriteiten stellen, waardoor betaald werk dikwijls op de tweede plaats komt. Dat heeft niet alleen een impact op het huidige inkomen, maar heeft een blijvend effect: door voor mantelzorg te kiezen, kan je promoties mislopen en minder pensioen opbouwen.

In een nieuwe studie toon ik met een collega van de KU Leuven echter ook aan dat ongelijkheid een fundamentele rol speelt in alledrie de theorieën die binnen de wetenschappelijke literatuur gebruikt worden om mantelzorg te verklaren.[iii] In sociaal beleidsonderzoek wordt doorgaans teruggevallen op drie verklaringen voor mantelzorg. In eerste instantie gaat het om een culturele verklaring: zorgnormen. Als het gaat over ouderenzorg, is de norm bijvoorbeeld dat kinderen—en vooral dochters—een zekere verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van hun ouders. Het volgen van de norm hoeft niet noodzakelijk opgelegd te worden: ze kan geïnternaliseerd zijn waardoor mensen uit zichzelf zorg op zich gaan nemen. Een tweede theorie gaat over volwaardig burgerschap. Beleid reflecteert vooral de noden van de mensen die nauwer betrokken zijn bij het beleidsmakingsproces. Daarenboven weten mensen dikwijls niet waar ze recht op hebben, of hebben ze niet de middelen om hun rechten op te eisen—het fenomeen van ‘non-take-up’. De derde, ten slotte, is louter economisch: wie een hoog loon heeft, verliest meer inkomen door minder te gaan werken en heeft dus een hogere opportuniteitskost om mantelzorg op zich te nemen.

In elk van die drie verklaringen speelt ongelijkheid een cruciale rol—zowel sociaal-economische als gender­ongelijkheid. Binnen de culturele verklaring gaat het om arbeidsdeling, die sinds mensenheugenis de genderlijn volgt: mannen specialiseren zich in ‘productieve’ en vrouwen in ‘reproductieve’ arbeid. Als we kijken naar de genderverdeling van de deeltijds werkenden of de geïnterviewde professionals die gevraagd wordt hoe ze arbeid en gezin combineren, blijkt deze gendernorm toch nog diep in onze samenleving geworteld te zijn. Dit heeft daarbij ook een socio-economische dimensie: de arbeidersklasse heeft door de band genomen een traditioneler idee van genderrollen. Daarenboven nemen elites meer deel aan het beleidsmakingsproces, waardoor het tot stand gekomen beleid hun besognes beter reflecteert—een typisch probleem in co-creatieprocessen.[iv] Dat maakt dat het beleid op hun leest geschoeid is, en dus ook bruikbaarder is voor hen. Die afstand tot beleidsmakers werkt ook non-take-up in de hand, omdat lager opgeleiden het netwerk van ingewijden missen die kunnen helpen bij een aanvraag. Ook burgerschap heeft een sterke gendercomponent, getuige het debat over genderquota in politieke vertegen­woordiging. Tot slot is de rol van ongelijkheid in het economische argument voor de hand liggend: wie minder verdient heeft minder te verliezen bij het kiezen voor mantelzorg. Ook hier is een genderverschil: vanuit economische hoek wordt het genderverschil in de opname van mantelzorgtaken doorgaans toegeschreven aan de lagere lonen van vrouwen, waardoor het gewoon economisch rationeel is dat zij, en niet hun meer verdienende partner, de zorgrol op zich nemen.

Ongelijkheid als noodzaak

Waar deze studie argumenteert dat ongelijkheid een belangrijke rol speelt in mantelzorg, zou je een stap verder kunnen gaan en argumenteren dat ongelijkheid zelfs noodzakelijk is voor mantelzorg. Zorg is een typisch voorbeeld van de wet van Baumol: zorg is duur juist omdat het een arbeidsintensieve activiteit is met een belangrijke sociale component. Omwille van die arbeidsintensiteit kan zorg niet plaatsvinden in een relatie van gelijken: het inkomen van de zorgverlener moet een stuk lager liggen dan dat van de zorgvrager—het inkomen van die laatste moet immers hoog genoeg zijn om zijn zorggever te betalen én zichzelf te onderhouden. Ongelijkheid is dus een noodzaak. In een economisch ongelijke samenleving kan de elite zorg inkopen van de arbeidersklasse. Niet zelden zijn de aanbieders van zorg op zo’n markt arbeidsmigranten. In een economisch meer gelijke samenleving kan dat niet, waardoor zorg enkel gegarandeerd kan worden door normen—en dus door genderongelijkheid: als dochter is het je taak om voor je ouders te zorgen. Het zal je dan ook niet verbazen dat het klasseverschil in zorgnormen in een ongelijk land als het Verenigd Koninkrijk erg groot is: terwijl de elite het zich kan veroorloven zorg in te kopen, moet de working class op de familie kunnen rekenen. Zorg volgt het algemene marktprincipe dus niet: zorg is zo noodzakelijk dat we via zorgnormen een systeem hebben ontwikkeld dat ons die zorg schijnbaar kosteloos biedt.

De weg vooruit

Mantelzorg is dus niet gratis, maar komt met een hoge kost, vooral betaald door laagopgeleide vrouwen. Er is slechts één manier om deze link tussen ongelijkheid en zorg te doorbreken: een door de overheid sterk gesubsidieerde zorgsector, die professionele zorg voor iedereen toegankelijk maakt. Als dat een onbereikbaar ideaal zou blijken te zijn, moeten beleidsmakers zich bewust zijn van de consequenties van het pad dat ze bewandelen: de keuze voor vermaatschappelijking van de zorg, is een keuze voor het uitbuiten en uitdiepen van bestaande ongelijk­heden.

 

[i] https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2006/10/05/de-verzorgingsstaat-herwogen

[ii] https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/de-kracht-van-het-engagement-de-vermaatschappelijking-van-de-zorg-in-de-dagelijkse-praktijk-1

[iii] http://www.ep.liu.se/ej/ijal/ijal_article.asp?DOI=10.3384/ijal.1652-8670.18404

[iv] https://www.erasmusmagazine.nl/2017/12/05/de-participatiesamenleving-leidt-tot-groeiende-ongelijkheid/