Waarom zijn er geen Tweede Kamerleden met een postkoloniale achtergrond?

Auteur: Roos van der Zwan

Het is ondertussen bijna twee jaar geleden dat de meest recente Tweede Kamerverkiezingen plaatsvonden. Met de nieuwkomers Artikel 1 en DENK was er meer aandacht dan ooit voor diversiteit in de politiek. Hoewel we al wisten dat Nederlanders met een postkoloniale achtergrond niet evenredig vertegenwoordigd zijn in de politiek, zijn ze sinds 2017 helemaal niet vertegenwoordigd in de Tweede Kamer.[1] Terwijl Nederlanders met een Surinaamse, Antilliaanse of Indonesische achtergrond bijna 5.7% van de Nederlandse bevolking uitmaken. Hoe kan dat? Ik bespreek verschillende verklaringen.

In 1986 werd de van Molukse afkomst John Lilypaly gekozen als Tweede Kamerlid, de eerste met een migratieachtergrond. Sindsdien is het aantal Kamerleden met een migratieachtergrond gegroeid. Het is dus een opvallende ontwikkeling dat er in het verkiezingsjaar met zoveel aandacht voor diversiteit, geen enkel Kamerlid is die Nederlanders met een postkoloniale achtergrond vertegenwoordigd. Een vergelijking met de twee voorgaande verkiezingen in Figuur 1 laat zien dat deze ontwikkeling vooral geldt voor Kamerleden met een postkoloniale achtergrond, maar overigens ook voor Nederlanders met een overige niet-westerse achtergrond.[2]

Figuur 1. Tweede Kamerleden met een migratieachtergrond, 2010-2017 (%)

Noot: de data verzamelde ik op basis van migratieachtergrond. De indeling is gebaseerd op geboorteland van het Kamerlid en diens ouders. De Nederlanders met een postkoloniale achtergrond hebben een migratieachtergrond in Aruba, Suriname, Indonesië, Sint Maarten, Curaçao, Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor deze ontwikkeling, waarvan ik er drie bespreek. Ten eerste, als een bepaalde sociale groep, zoals Nederlanders met een postkoloniale achtergrond, niet vertegenwoordigd is in de politiek kan een gebrek aan geschikte kandidaten een verklaring zijn. Het is mogelijk dat er in de samenleving geen (geschikte) personen zijn die bereid zijn zich verkiesbaar te stellen. In hoeverre dit zo is, is lastig te achterhalen. In Nederland woonden er in 2017 meer dan 700.000 Nederlanders met een postkoloniale achtergrond, dat is ongeveer 6% van de Nederlandse bevolking.[3] Deze hadden allemaal de Nederlandse nationaliteit en hadden dus zowel passief als actief kiesrecht.

Met deze aantallen lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat er geen goede kandidaten met een postkoloniale achtergrond waren die zich verkiesbaar wilden stellen. Ook is deze groep een stuk groter dan de groep Nederlanders met een Turkse (1,7%) of Marokkaanse (1,8%) achtergrond, die – zoals blijkt uit Figuur 1 – wel ruim vertegenwoordigd zijn in de Tweede Kamer. Het is daarom waarschijnlijker dat de verklaring ligt in hoe partijen mogelijke kandidaten selecteren.

Voor elke Tweede Kamerverkiezing stellen politieke partijen een kandidatenlijst samen, kiezers brengen hun stem uit op een van die kandidaten. Het profiel waar een kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen aan moet voldoen hangt af van wat politieke partijen een geschikte kandidaat vinden. Dit staat natuurlijk niet op zichzelf. Een van de meest belangrijke drijfveren van partijen is het winnen van stemmen. Het profiel van de ideale kandidaat zal dus sterk samenhangen met wat de achterban verwacht en ook de ideologie van de partij speelt hierbij een belangrijke rol. Een arbeiderspartij zal bijvoorbeeld eerder geneigd zijn iemand uit de vakbond kandidaat te stellen terwijl voor christelijke partijen de geloofsovertuiging meer van belang is. Of partijen – al dan niet bewust – geen kandidaten met een postkoloniale achtergrond selecteren, kan verschillende redenen hebben. Bijvoorbeeld een angst om stemmers te verliezen die geen voorstander van etnische diversiteit zijn.

Een tweede verklaring is daarom de vraagzijde vanuit de partij. Is het gebrek aan Kamerleden met een postkoloniale achtergrond te verklaren door een gebrek aan kandidaten op de kandidatenlijst van politieke partijen? Als politieke partijen dergelijke kandidaten niet op de kandidatenlijst zetten, kunnen ze ook niet worden verkozen. In Figuur 2 staat het percentage kandidaten naar migratieachtergrond. Hoewel het percentage kandidaten met een postkoloniale achtergrond lager is dan het percentage kandidaten met een andere migratieachtergrond, zijn er zowel 2010, 2012 als in 2017 kandidaten met een postkoloniale achtergrond genomineerd. Het percentage kandidaten uit deze groep – van partijen die ten minste één zetel wonnen – was in 2017 lager dan in de twee verkiezingen daarvoor. Hoewel er wel kandidaten met een postkoloniale achtergrond genomineerd waren, lijkt de kans dat zij verkozen werden in 2017 kleiner dan in eerdere jaren. Een deel van de verklaring is dus dat partijen minder kandidaten met een postkoloniale achtergrond hebben genomineerd dan in andere jaren.

Figuur 2. Kandidaten met een migratieachtergrond, 2010-2017 (%)

Noot: Deze gegevens zijn alleen verzameld voor kandidaten van partijen die ten minste één zetel wonnen tijdens de verkiezingen. Zouden we in 2017 de kandidatenlijst van Artikel 1 ook meetellen, dan zou het percentage kandidaten met een postkoloniale achtergrond niet 1.6% zijn maar 2.7%.

Een derde verklaring voor het gebrek aan Kamerleden met een postkoloniale achtergrond Kamerleden heeft te maken met de lijstpositie van de kandidaten. Sommige partijen nomineren kandidaten met een migratieachtergrond als een symbool voor diversiteit. Deze kandidaten staan misschien wel op de kandidatenlijst, maar op een vrijwel onverkiesbare plek. Als deze kandidaten op een lijstpositie worden geplaatst waarop ze geen kans maken om verkozen te worden, is dat een loos gebaar. Gemiddeld genomen was de lijstpositie van kandidaten met een postkoloniale achtergrond 31 in 2010, 28 in 2012 en 29 in 2017. Kandidaten met een postkoloniale achtergrond belanden vaak op een lage plek op de kandidatenlijst, waardoor ze weinig kans maken op een Kamerzetel.

Uit het overzicht van de lijstposities in Tabel 1 blijkt dat er in 2017 drie kandidaten met een postkoloniale achtergrond een positie in de top tien van hun partij hadden. Dit is juist gebeurd bij partijen die niet voldoende zetels hebben gewonnen. DENK had bijvoorbeeld kandidaten met een postkoloniale achtergrond op positie vier en zes, maar kwam niet verder dan drie zetels. Bij Forum voor Democratie stond er een kandidaat met een postkoloniale achtergrond op positie negen. De PvdA, traditioneel een partij voor Nederlanders met een migratieachtergrond, plaatste de eerste kandidaat met een postkoloniale achtergrond op plek vijftien. In eerdere jaren was dat voldoende geweest voor een Kamerzetel, maar met de voor de PvdA dramatische uitslag van 2017 niet.

Tabel 1. Lijstpositie van kandidaten met een postkoloniale achtergrond 2010-2017

Noot: aantal kandidaten tussen haakjes weergegeven.

Er zijn momenteel geen Kamerleden met een postkoloniale achtergrond in de Tweede Kamer. In 2017 hebben politieke partijen wel kandidaten uit deze groep op hun kandidatenlijsten geplaatst, net zoals bij eerdere verkiezingen. Maar het aandeel kandidaten met een postkoloniale achtergrond was kleiner dan in eerdere jaren en ze stonden op relatief lage lijstposities. Bovendien waren diegenen met een hoge lijstpositie juist kandidaat voor partijen die in 2017 te weinig zetels behaalden. Het gebrek aan Kamerleden met een postkoloniale achtergrond ligt dus grotendeels aan het lage aandeel kandidaten met deze achtergrond en hun lijstpositie. Dit is niet alleen ten nadele van de legitimiteit van onze democratie, maar ook een gemiste kans voor politieke partijen. Naast partijstandpunten kunnen kandidaten waarmee stemmers zich identificeren namelijk een reden zijn om op een partij te stemmen. Over de opkomstpercentages van deze groep weten we niet veel, maar al zou slechts de helft van de Nederlanders met een postkoloniale achtergrond stemmen, dan zijn zij alsnog goed voor zo’n vijf zetels. Wellicht een reden voor partijen om meer aandacht te besteden aan deze groep Nederlanders.

 

 

 

——–

[1] Dat er geen Tweede Kamerleden met een postkoloniale achtergrond zijn, betekent niet automatisch dat de belangen van deze groep niet vertegenwoordigd zijn. De aanwezigheid van Tweede Kamerleden met een postkoloniale achtergrond – of van andere ondervertegenwoordigde groepen – heeft echter een belangrijke symbolische waarde.

[2] De data die zijn gebruikt voor dit blog zijn afkomstig uit het proefschrift ‘The political representation of ethnic minorities and their vote choice’ van Roos van der Zwan.

[3] Op basis van CBS data. Dit gaat over Nederlanders van stemgerechtigde leeftijd met een migratieachtergrond in Aruba, Suriname, Indonesië, Sint Maarten, Curaçao, Bonaire, Sint Eustatius of Saba.