Woorden doen geen pijn? Hoe een verhit migratiedebat leidt tot een dehumaniserend migratiebeleid

Auteur: Nora Stel

Als we onze politieke leiders mogen geloven, bevindt Europa zich midden in een migratiecrisis. Om Europa’s sociaaleconomische welvaart en cultuur te beschermen, is het dan ook zaak om migratiestromen ‘in te dammen,’ ‘om te buigen’ of te ‘bestrijden’ door het nemen van ‘operationele maatregelen.’ In eerste instantie klinkt dit als rationeel, professioneel beleid – een verademing in vergelijking met het politieke debat dat op het scherpst van de snede gevoerd lijkt te worden. Maar de ontmenselijking van migranten die door dit soort managementjargon sluipenderwijs plaatsvindt, is wellicht nog problematischer dan verhitte maatschappelijke discussie omdat het voor een groot deel en vaak onbewust bepaald hoe het grote publiek migranten ziet – of juist niet ziet – en inhumaan beleid daarmee normaliseert.

Een crisis van gelukszoekers die ons Europa overspoelt

Migratie is een hot topic. Er wordt veel over gesproken en geschreven en dat gaat niet altijd even zorgvuldig. Aan de ene kant worden verschillende juridische categorieën vaak door elkaar heen gebruikt. Asielzoekers, vluchtelingen, migranten en allochtonen worden op één hoop gegooid. Hoewel die categorieën inderdaad vaak arbitrair zijn, is het veelal geen onderbouwde politieke kritiek maar onzorgvuldigheid die ten grondslag ligt aan het over een kam scheren van verschillende soorten migranten. Naast de dus vaak door de war gehaalde juridische termen, komen er in de politiek en de media ook allerhande populistische bewoordingen voor migranten langs: ‘gelukszoekers,’ ‘profiteurs’ en ‘zielepoten.’ Er worden aan migranten allerlei, vaak onterechte kenmerken toegekend; dat zij buitensporig vaak extremistische sympathieën hebben, bijvoorbeeld, of massaal belasting ontduiken en uitkeringstrekkers zijn.

In vergelijking met deze vaak ongenuanceerde typeringen en debatten zijn de pogingen van Europese leiders en beleidsmakers om de vluchtelingenstroom waar Europa mee zou kampen in goede banen te leiden en de lasten van deze crisis eerlijk te verdelen een baken van redelijkheid. Het is echter juist deze ogenschijnlijke neutraliteit – vluchtelingenbeleid is niet langer een moreel of politiek vraagstuk, maar een managementdilemma – die problematisch is, omdat die ervoor zorgt dat fundamentele vragen over oorzaken en aanpak van de vluchtelingen- of migratiecrisis niet meer gesteld worden. Of beter: steeds minder onderdeel zijn van de bepalende beleidsdiscussies. In de wetenschap, met name binnen het veld van de critical migration studies, zijn zulke vragen wél aan de orde. Op twee belangrijke punten, conceptueel en discursief, proberen academici de vanzelfsprekendheid van het huidige Europese migratiebeleid te doorbreken.

Het zijn maar woorden?

Het Europese, en Nederlandse, migratiebeleid gaat ervan uit dat er een probleem is dat opgelost moet worden: er is een crisis die we moeten managen en er zijn lasten die we moeten dragen. Hierin liggen echter al heel wat aannames besloten die academici werkzaam in de migratiestudies in twijfel trekken. Want wat is eigenlijk het probleem? Dat mensen reizen of zich elders willen vestigen? Dat doen wij Europeanen toch ook massaal? Niet alle mensen die zich verplaatsen en elders willen leven zijn een probleem. Het probleem is niet, zo stellen kritische denkers, dat mensen mobiel zijn, maar dat we een systeem van grenzen en visa hebben opgetuigd waarbinnen mobiliteit voor sommige groepen een vanzelfsprekend privilege is en voor anderen een onbereikbare noodzakelijkheid.

Het idee dat de komst van vluchtelingen een ‘crisis’ zou zijn, is in dat opzicht even problematisch: de crisis is niet zozeer dat mensen vertrekken en een beter leven zoeken, maar dat zij daarin gedwarsboomd worden. Naast deze fundamentele conceptuele kritiek, plaatsen onderzoekers ook vraagtekens bij de discursieve weergave van migranten. Het narratief rondom ‘stromen’ en ‘tsunami’s’ en ‘horden’ doet denken aan een natuurverschijnsel in plaats van aan mensenlevens. Onderzoek toont aan hoe migranten vaak worden weergegeven in een collectieve, anonieme setting. Er is in de media relatief weinig beeldmateriaal van individuele migranten met herkenbare gezichtsuitdrukkingen, een situatie die de angstcultuur rondom migranten verder versterkt.

De representatie van migranten als een soort natuurlijke dreiging die bezworen moet worden heeft tastbare gevolgen. Het ontmenselijkt precies de groep mensen die onze empathie en medemenselijkheid het hardst nodig heeft. Woorden kunnen daarmee wel degelijk pijn doen. Toonaangevende denkers als Derrida en Foucault hebben laten zien hoe taal niet simpelweg een weergave van de werkelijkheid is, maar de realiteit vormt en bepaald. Historisch onderzoek en het werk van conflictanalisten maakt duidelijk wat daarvan in extremis de gevolgen kunnen zijn: het dehumaniseert mensen, maakt hen minderwaardig en ‘disposable.’ Dit maakt de weg vrij voor discriminatie, vervolging en, in de meest extreme variant, genocide. Het categoriseren van Joden als ‘Untermenschen’ beschreef geen realiteit, maar creëerde wel een werkelijkheid waarin zij collectief vermoord konden worden. Het wegzetten van Tutsi’s als ‘kakkerlakken’ maakte het denkbaar en mogelijk om hen als ondieren uit te roeien.

Er is – gelukkig! – geen genocide aan de gang tegen migranten. Maar migranten worden wel systematisch weggezet als een dreiging, waarmee extreme maatregelen worden gelegitimeerd. Deze ontmenselijking is het fundament onder zowel het hypergepolitiseerde maatschappelijke debat als het vaak gedepolitiseerde beleidsjargon op dit gebied. Zij maakt het mogelijk dat grove humanitaire misstanden in Europa voortbestaan met medeweten van zowel politici en beleidsmakers als het grote publiek. Er is een constante sterfte op zee van migranten die hun leven wagen op zoek naar bescherming en degenen die deze mensen proberen te redden worden weggezet als criminelen in plaats van helden. In Griekenland worden vluchtelingen jarenlang vastgehouden in provisorische vluchtelingenkampen, zoals het beruchte Moria, waar misbruik, geweld, en ontberingen aan de orde van de dag zijn. De woonplekken van ‘illegale’ migranten – overigens ook een term die een inherente diskwalificatie in zich draagt – in Frankrijk, zoals de ‘Jungle van Calais,’ worden systematisch en met veel geweld ontmanteld zonder de bewoners enig perspectief of alternatief te bieden. Het gaat hier niet ‘moeilijke landen’ in de regio. Dit gebeurt allemaal in Europa, binnen onze eigen invloedssfeer.

Kortom: het maakt uit hoe we praten over migranten. Niet omdat we politiek ‘correct’ moeten zijn, maar omdat de woorden die we gebruiken om migratie en migranten te beschrijven de kaders vormen voor de manier waarop we met ze omgaan. Vaak wordt het weergeven van menselijk leed in de context van migratie weggezet als onnodig dramatisch, een standpunt dat bijvoorbeeld veelgehoord was na de dood van Alan Kurdi. Maar het echte drama is wellicht veeleer dat normaliter van dit structurele menselijke leed zo systematisch weggekeken wordt.