‘Ik ben zo blij met mij’

Auteur: Ina ter Avest

Afscheid nemen

Als zijn moeder hem ’s ochtends bij mij op de peutergroep brengt, moet hij de laatste tijd veel huilen. Zo ook deze dag. Emre kan zijn moeder maar moeilijk missen; als zijn vader hem brengt is het verdriet iets minder groot, maar toch… afscheid nemen valt hem de laatste tijd zwaar. Na een tijdje – ik heb hem getroost zoals ik bijna elke dag doe: we hebben samen een boekje gelezen en een puzzeltje gemaakt – is het grote verdriet over. Het helpt vooral dat Martine erbij komt zitten als we gaan puzzelen. Martine pakt een puzzel van ‘Kikker’ uit de kast en komt bij ons zitten; Emre en Martine – dikke vriendjes.

Rond het afscheid nemen is het fijn dat ze elkaar hebben, maar soms vind ik het bijna een belemmering voor Martine dat Emre bijna niet zonder haar kan. Waar ligt de grens tussen ‘stimulerend’ en ‘belemmerend’ voor de ontwikkeling van kindervriendschap?

Troosten – kinderspel?

Martine en Emre – onafscheidelijke maatjes. Als je beter kijkt naar wat ze samen doen, zien we dat ze eigenlijk heel weinig sámen spelen. Het lijkt er op dat ze vooral elkaars nabijheid als plezierig ervaren. Elly Singer en Dorian de Haan noemen dat parallel spel (Singer & De Haan, 2013, p. 103).  Ze doen weliswaar hetzelfde – puzzelen in dit geval – maar ze hebben elk hun eigen puzzeltje. Is dit voor Martine een speelse manier om aan troost vorm te geven? Zou ze niet liever iets anders gaan doen? Belemmert deze haast natuurlijke manier van troosten Martine in haar eigen ontwikkeling? Natuurlijk waardeer ik dat Martine zich afstemt op Emre en hem op haar manier troost. Tegelijkertijd wil ik graag dat ze ook haar eigen voorkeur in vriendschappen ontwikkeld, en ontdekt wat ze zelf leuk vindt om te spelen.

In de periode dat kinderen naar een crèche gaan en in groep 1 en 2 van de basisschool zitten, maken ze een grote ontwikkeling door wat betreft het spelen. Zichtbaar is dat bijvoorbeeld in werken aan een gezamenlijk doel waarin ze hun handelen afstemmen op de ander. Ze kunnen samen een toren bouwen, en houden ze rekening met elkaar in het alsof spel binnen een gezamenlijk vastgesteld kader: ‘En toen was ik de juf en jij het kind’, of: ‘En toen was jij de vader en ik de moeder’.

Bij jonge kinderen ontstaan er wel eens conflicten over wie wie is, maar als dat eenmaal geregeld is zien we zelden problemen ontstaan over de inhoud van het spel. Conflicten over de inhoud van het spel, de verhaallijn, komen pas als kinderen een eigen beeld in hun hoofd hebben van hoe de verschillende rollen gespeeld moeten worden: ‘Dat doet een moeder niet hoor!’. Als ik dat hoor, bijvoorbeeld als een ‘moeder’ haar ‘baby-kind’ slaat, neem ik mijn kans om – binnen de ruimte van het spel –  een gesprekje met de peuters aan te gaan. Ik vraag dan bijvoorbeeld: ‘Hoe komt het dat deze ‘moeder’ haar ‘baby-kind’ slaat?, ‘Wat kan een moeder ook doen, als ze wil dat haar kind ophoudt met huilen?’. Ik hoop op die manier niet alleen bij te dragen aan de uitbreiding van het handelingsrepertoire van de kinderen (‘Hoe kan een moeder haar baby troosten?’), maar ook aan hun woordenschat om gevoelens uit te drukken (‘Als je huilt, ben je verdrietig’). Ook help ik ze naar hun lichaam te luisteren (‘Waar voel je dat als je verdrietig bent?’).

Gelukkig zijn jonge kinderen heel spontaan in het uitdrukken van hun gevoelens. “Ze hebben nog geen enkele drempel om het ook te zeggen als ze het samenzijn fijn vinden”, schrijven Singer & De Haan (ibid., p. 112). Dat horen en zien we als Emre even later z’n arm om Martine slaat en zegt: ‘Knuffel? Ik vind jou lief’.

Hechting

Niet alleen het afscheid van moeder blijkt voor Emre een spannend moment, ook het afscheid van de andere kinderen en van mij maakt dat hij moet huilen. Dat blijkt deze ochtend als zijn moeder hem komt ophalen om naar het kinderconcert in het Concertgebouw te gaan. Tranen met tuiten huilt hij. In mijn achterhoofd duikt de vraag op naar het hechtingsproces van Emre.

Door de wisselingen thuis vanwege de ziekenhuisopname van zijn zusje Eslem, en de noodzaak van moeder om bij Eslem in het ziekenhuis te blijven, zijn er regelmatig andere mensen over de vloer geweest om voor Emre te zorgen. Veel wisselingen kunnen het hechtingsproces van jonge kinderen verstoren. Men spreekt wel van een basisrecht om gezien, gekend en gehoord te worden in een vertrouwde omgeving. De omgeving is weliswaar voor Emre vertrouwd, zowel thuis als op de crèche, maar in die omgeving is niet altijd een vertrouwde persoon aanwezig. De wisselingen thuis zorgen voor onrust, maar ook – en dat moet ik mezelf aanrekenen –de wisselingen de laatste tijd van  leidsters. Bij Emre kan dat leiden tot veel verdriet als hij afscheid moet nemen van zijn moeder of van Martine – vertrouwde personen in een roerige omgeving.

‘Nee, nee!’ roept hij als zijn moeder hem z’n jasje aangeeft, en hij houdt zijn armen stijf langs zijn lichaam. ‘Nee, ik wil niet!’ Ik vraag me af wie wie een plezier doet met dit concert…

‘Ik ben zo blij met mij!’

Ook vandaag staat Emre het huilen nader dan het lachen als zijn moeder op het punt staat weg te gaan. Ook voor zijn moeder wordt dit terugkerend verdriet van het  afscheidsritueel een moment waarop het huilen haar nader staat dan het lachen. Het verdriet, zowel van Emre als van zijn moeder verdwijnt als sneeuw voor de zon als ik vraag naar hoe het concert gisteren was. Moeder vertelt dat Emre het weliswaar in het begin spannend vond – een vreemde ruimte, lichten die langzaam doven, mensen die van achter uit de zaal zingend en musicerend naar voren komen – maar dat hij al gauw helemaal opging in de muziek. En toen de muzikanten de kinderen vroegen mee te doen met ‘hoofd, schouder, knie en teen’, was Emre de eerste die naar voren liep en tussen de muzikanten ging staan. Ook bij dans-liedjes deed hij enthousiast mee. ‘Ik zag hem dansen zoals ik dat soms thuis ook doe, in een dolle bui!’, vertelt moeder stralend. ‘De klapper op de vuurpijl was het liedje “Ik ben zo blij met mij!”, waarmee het concert eindigde. We zingen dat nu de hele dag, he Emre?!’, besluit moeder. Aan het snoetje van Emre zie ik dat hij zich herinnert hoe vrolijk hij werd van dat liedje gisteren. Hij begint  spontaan de eerste regels te zingen, waarop moeder hem bijvalt en ze samen vrolijk  lachend en zingend door de ruimte lopen.

© Caroline Ellerbeck

Dat is voor de andere kinderen het teken mee te doen, en voor ik het weet zingen we met z’n allen ‘Ik ben zo blij met mij!’ De polonaise eindigt bij de deur, waardoor moeder lachend verdwijnt, nagezwaaid door een hele groep peuters– Emre de meest enthousiaste van allemaal, met naast hem Martine.

Samen zingen – afstemmen op elkaar! Dit beschouw ik zonder aarzeling als een mooie  stimulans voor de verdere ontwikkeling van kindervriendschap.