Intervisie – leren van onveilige situaties

Auteur: Ina ter Avest

Vragenderwijs

De rust van de koffiepauze in de lerarenkamer van de openbare basisschool ‘De Vlinderboom’ wordt ruw opgeschrikt door de binnenkomst van Tineke, de godsdienstleerkracht. Al een aantal jaren geeft Tineke, christelijk van huis uit, in het kader van vormingsonderwijs (godsdienstig dan wel humanistisch) christelijke godsdienstles les aan groep 7. De school staat in een ‘Vogelaar’-wijk en de populatie bestaat voornamelijk uit gezinnen met een migratie-achtergrond. Er zijn veel spanningen in de wijk, met name tussen de gezinnen met een Turkse en Marokkaanse achtergrond. Daarbij leven veel van deze gezinnen net boven, op of onder de armoedegrens. De leerlingen van Tineke komen dan ook uit die gezinnen. Ze zijn allemaal moslim.

Godsdienstonderwijs op ‘De Vlinderboom’

Het is een beetje een vreemde situatie: in de lessen ‘christelijk godsdienstonderwijs’ geeft Tineke, een christelijke leerkracht, les aan uitsluitend moslim leerlingen. Dat zit zo. In het openbaar onderwijs kunnen ouders voor hun kinderen kiezen voor godsdienstonderwijs in hun eigen godsdienst. Die lessen vinden plaats onder schooltijd. Ouders spreken een voorkeur uit voor protestante, katholieke, islamitische of humanistische lessen. Er zijn echter niet voldoende goed gekwalificeerde leerkrachten voor elk van die stromingen. En zo kan het dus gebeuren dat Tineke vandaag op deze openbare school les geeft aan moslim leerlingen op ’De Vlinderboom’.

Verhalenderwijs

Met een rood hoofd ploft Tineke op een stoel in de lerarenkamer neer, en begint aan de eerste de beste die het horen wil haar verhaal te doen. “Ik had een les bedacht over Mozes. Dat verhaal wilde ik gaan vertellen. Ik ken het uit mijn eigen christelijke traditie en ik vermoedde dat de kinderen dat leuk zouden vinden, omdat zij dat verhaal kennen – Mozes/Musa komt immers ook voor in de Koran. Ze blijken het inderdaad een mooi verhaal te vinden om naar te luisteren. Aan het eind van het verhaal willen ze allemaal wel iets vertellen over wat zij al weten over dat verhaal, wat ze al gehoord hebben van hun opa of tijdens de koran-les in de moskee. De kinderen zijn echt enthousiast, ze worden steeds enthousiaster … Langzamerhand bereikt het geluidsniveau een hoogte die het onmogelijk maakt elkaar nog goed te verstaan. Althans, ik zelf kan niet meer goed opvangen wat elk kind zegt. Het zijn verhitte gesprekken, het wordt wat onrustig en er ontstaat irritatie in de groep.”  

De hoofddoek

Tineke haalt diep adem, en vervolgt dan: “Opeens staat Yassin op en zegt: “Dus jij denkt dat alle Marokkanen slecht zijn!”. Ik dacht nog: ‘Ik heb daar niks over gehoord, maar …’ Dan komt Najib in beweging, het jongetje uit Afghanistan, een jongetje die overal heel diep over nadenkt.” Tineke ziet anderen knikken – ja, Najib kennen ze goed. Hij is nog niet zo lang op school, maar staat met zijn wijze/wijsneuzerige statements in ieders geheugen gegrift.  Tineke gaat verder: “Najib gaat er goed voor staan en zegt dan op luide toon: ‘Maar, als je moslim bent, dan betekent dat niet dat je allemaal hetzelfde bent.’ Hij is even stil, kijkt rond en vervolgt dan: “Eh… bijvoorbeeld je moet een hoofddoek dragen. Mijn moeder draagt een hoofddoek, maar je hoeft niet, niet elke moslimcultuur of -land zegt dan dat je een hoofddoek moet dragen.”

“De anderen”, aldus Tineke, “lijken niet te begrijpen wat hij wil zeggen. Het blijft lawaaierig. Dan, als om zijn woorden kracht bij te zetten, roept Najib op luide toon: ‘“Als je een hoofddoek om hebt, betekent dat niet meteen dat je een goede moslim bent.”

Ik zie Najib een beetje rondkijken, zo, van: “Wat heb ik gezegd? Kan ik dit wel zeggen?” En dan gaat hij zitten.  

Haram

Een hels kabaal breekt los. Het gaat er zo luidruchtig aan toe dat ik heel hard (!) – ja, ik schaam me als ik eraan denk – om ‘stilte’ heb geroepen. En toen heb ik op het bord geschreven:

“Een vrouw zonder hoofddoek is haram1?” Met een heel duidelijk vraagteken.

En: “Een vrouw met hoofddoek hoeft niet perse een goede moslim te zijn.”

Alle leerkrachten in de lerarenkamer luisteren inmiddels vol aandacht naar Tineke. Ze hebben allemaal ervaring met dat soort spanningsvolle momenten in de klas en zijn razend benieuwd hoe Tineke zich eruit gered heeft. Tineke gaat verder: “Toen werd het stil in de klas. De kinderen voelden kennelijk aan dat het te gek werd, het gepraat, of liever geschreeuw, door elkaar. Er was weer ruimte voor elkaar en er werd geluisterd naar elkaar over de betekenis van deze twee zinnen.”

Vragenderwijs – ‘inquisitive learning’

Nu komen er vragen van de collega’s. “Hoe kwam je erbij om – zo in het heetst van de strijd – die twee zinnen op het bord te schrijven?” En: “Hoe heb je dat aangepakt, dat gesprek over zo’n heikel thema?”

Tineke vertelt dat ze begonnen is met het voorstel elkaar vragen te stellen, in de zin van ‘wie ken je zonder hoofddoek, en wie met?’, ‘heb je wel eens gevraagd waarom zij een hoofddoek draagt?’, ‘hoe weet je dat iets haram of halal is?’, ‘wat vindt jouw vader ervan dat je zus geen hoofddoek draagt?’. Wat de kinderen ontdekt hebben, zegt Tineke, is dat als je elkaar bevraagt over wat je gelooft, of over wat dan ook, dat het handig is dat je even checkt of de ander echt begrijpt wat je bedoelt. Dat je dat kunt checken door het in je eigen woorden te herhalen, en vragen of het klopt. De kinderen ontdekten dat zelfs als je hetzelfde geloof hebt – ze zijn allemaal moslim –  je niet automatisch precies hetzelfde bedoelt bij een bepaald woord, zoals ‘hoofddoek’ of ‘haram’. Dat het goed is om kennis te nemen van wat het voor een ander betekent.

Een voorbeeld

Tineke licht toe: “Ik heb het voorbeeld gegeven van ‘elkaar recht in de ogen kijken’, wat in Nederland een groot goed is als je met elkaar in gesprek bent, maar wat in een andere context kan duiden op een gebrek aan respect van een kind voor zijn of haar vader of moeder. Dat gaf lucht. Daarna kwam de een na de ander met een voorbeeld uit eigen ervaring. Het handen schudden kwam natuurlijk ter sprake. En het vasten. En opvattingen over wat men verstaat onder ‘netjes’ gekleed gaan. Ik zag aan de ogen dat een abstract en eenduidig verstaan van ‘haram’ een bredere invulling kreeg.”

Tineke besluit: “Het was een heftige situatie, en ik was bang de grip op de groep te verliezen.”

Grote woorden, ‘kleine’ praktijken

Haar collega Judith slaakt een zucht en zegt: “Wat heerlijk om te horen hoe jij die onveilige situatie hebt kunnen veranderen in een veilig kringgesprek. Knap van je dat je je niet hebt laten verleiden om een standpunt in te nemen bij die uitspraak van Najib, maar dat je ze nieuwsgierig kon maken naar de betekenissen van ‘haram’.” Elsbeth vindt het mooi dat Tineke een verbinding heeft kunnen leggen met eigen ervaringen van de leerlingen. En Bram, de directeur van de school, voegt hieraan toe, dat Tineke met deze les heeft bijgedragen aan ‘sociale cohesie’ en ‘religieuze geletterdheid’ van de leerlingen. “En laat dat nou in het visie- en missie-document van de school genoemd worden! Weliswaar niet met zoveel woorden, maar wel dat we als school begrip bij onze leerlingen willen opwekken voor ‘de ander’ om goed te kunnen samenleven. Je hebt onze uitgangspunten met deze onverwachte wending in jouw les handen en voeten gegeven!”

Leren van en met elkaar

De leerkrachten staan op om terug te gaan naar hun eigen lokaal. Tineke drinkt haar laatste slokje koffie en hoort in het weggaan één van de collega’s zeggen: “Wat een leerzame pauze was dit. Dit zouden we vaker moeten doen: ervaringen uitwisselen over spanningsvolle situaties in de klas!” Ja, denkt Tineke, niet alleen om je verhaal kwijt te kunnen, maar ook, of liever juist om van elkaar te leren. Dan sta je minder vaak met je mond vol tanden!

1 ‘Haram’ is in het kader van de islamitische wet een Arabisch juridische term voor niet toegestaan (zie: www.oxfordislamicstudies.com/article/opr/t125/e808).

Algemene noot: de gebruikte namen zijn pseudoniemen.


Bron afbeelding: ProDemos / Bart van Vliet