‘met woede gaat de zon niet schijnen’

Auteur: Ina ter Avest

In een ontwapenend interview in ‘De Verdieping’ van het dagblad Trouw van 21 september 2017 vertelt Vincent Bijlo over zijn blindheid en oprukkende doofheid. Hij wil nadrukkelijk geen slachtofferrol aannemen. Hij ervaart geen boosheid over wat hem allemaal overkomt: blind geboren, doof wordend. ‘Ik hoor alles’ is de titel van de documentaire die Floris Alberse met en over hem maakte. Daarin rekent hij af met de slachtoffercultuur in de samenleving. Bijlo spreekt van ‘actieve berusting’ waarmee hij zijn blindheid en doofheid aanvaardt. ‘Met woede gaat de zon niet schijnen’ zegt hij in het interview, en hij richt zich op wat hij als goed ervaart in zijn leven. Misschien iets om in ons achterhoofd te houden als we naar stakende leerkrachten in het basisonderwijs luisteren? Wat ervaren zij als ‘goed’, wat vragen zij, en gaat er wellicht een andere vraag aan vooraf?

Leerkrachten zijn niet de enigen die hun woede kenbaar maken. Er zijn veel boze mensen in de samenleving, althans dat is wat de media ons willen doen geloven. Boze witte mannen op hoge posities die geen vrouw in hun midden verdragen, boze vrouwen voor wie er geen openbare toiletten zijn, boze ouders vanwege de Sire reclame om jongens meer jongen te laten zijn, boze vrouwen omdat ze minder verdienen dan mannen, en boze leerkrachten die vinden dat ze te weinig verdienen en voor een betere beloning willen staken. Poeh, wat een boosheid! Elke boosheid zou een eigen ‘Versvak’ verdienen. Om de boze witte mannen te confronteren met wat hun dominante witheid – al dan niet expliciet – teweeg brengt. Om de boze vrouwen die een openbaar toilet eisen te vragen wat er nou zo leuk aan is om midden in de nacht na een kroegentocht op een openbaar toilet te plassen, en hoe hun wens zich verhoudt tot genderneutrale toiletten. Om de boze ouders te laten inzien dat die reclame nu juist bedoeld was om het gesprek op gang te brengen over stereotypisch jongens- en meisjes gedrag (dat is dus gelukt: dat gesprek op gang brengen!). En aan de boze vrouwen die vinden dat ze te weinig verdienen in vergelijking met mannen op gelijksoortige posities zou ik willen vragen: ‘Is het mogelijk iets/iemand anders als ijkpunt voor jouw positie te nemen dan die mannen?’

Ik beperk me in dit ‘Versvak’ blog tot de boze leraren en hun eis voor een hogere beloning. En dat terwijl we weten dat geld niet gelukkig maakt! We weten uit onderzoek dat vanaf een bepaald moment méér geld niet goedmaakt wat er aan schort in een baan. Het gaat niet om een hógere beloning – in geld – maar om een ànderssoortige beloning – in ontwikkelingsmogelijkheden voor jezelf. Aan de vraag van leerkrachten gaat een andere vraag vooraf. Deze professionals vragen om ruimte om ‘relatief zelfstandig en creatief en met een groot improvisatie talent, kennis aan te wenden, ter realisering van de doelen van de organisatie, met een eigen aandacht voor de efficiëntie van de geleverde bijdrage’ (Weggeman 2001, p. 75, 77). Carrièrekansen heet dat in het bedrijfsleven; de kansen om ‘hogerop’ te komen. En die kansen zouden dan in het onderwijs niet groot zijn. Hogerop in het onderwijs betekent vaak minder tijd in de klas met de leerlingen en meer tijd achter een bureau met paperassen. Wat, gek genoeg, meer status heeft, en uitgedrukt wordt in een hoger salaris.

Ons denken over carrièrekansen moet op de schop. We moeten niet de hóógte in denken, maar de breedte en de diepte in. Carrière maken niet uít de klas, maar ìn de klas. Gewoon, de beste juf of meester worden voor de leerlingen en daarin gefaciliteerd worden door de directie. Gefaciliteerd in de zin van tijd en … jawel: ook in geld, om een cursus of opleiding te volgen die de leerkracht tot ‘de beste’ maakt. ‘De beste’ omdat deze juf of meester zich verdiept heeft in adaptief onderwijs voor uitzonderlijke kinderen – kinderen die hoog- of juist laag-begaafd zijn, of kinderen die vanuit het ziekenhuis het schoolleven volgen. ‘De beste’ omdat deze juf of meester expert is wat betreft de verschillende etnische, culturele en religieuze achtergronden van de leerlingen, en in het doen en laten toont hoe spannend interculturele en interreligieuze communicatie kan zijn, en hoe je een abstract begrip als ‘tolerantie’ betekenisvol maakt. ‘De beste’ omdat deze juf of meester een ster is in het tot stand brengen van een vertrouwensrelatie met ouders, àlle ouders, waardoor zowel ‘goed nieuws’- als ‘slecht nieuws’-gesprekken tot tevredenheid verlopen van zowel leerkracht als ouders. ‘De beste’ omdat deze juf of meester al improviserend met de eigen expertise én die van de collega’s tot de beste onderwijscultuur komt, voor elk individuele leerling en voor de groep leerlingen die aan hen zijn toevertrouwd (Schein 1999, pp 25, 26). ‘De beste’ ook omdat … uiteindelijk omdat deze juf of meester heeft kunnen ontdekken wat onderwijzen en leren voor haar of hem zelf èn voor leerlingen betekenisvol maakt. Dat was de kans van haar of zijn leven om de perceptie van de onderwijswerkelijkheid aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Niet alleen de perceptie, maar ook de verdere ontwikkeling van zijn/haar op reeds aanwezige kennis en overtuigingen (beliefs) gestoelde klassenpraktijken (Susam 2015, 102). Een carrièrekans – niet in de hoogte, maar in de breedte en diepte.

Het gaat immers om de vraag wat werk zinvol maakt, wat het eigen handelen toevoegt aan het leven van de mensen met en voor wie je werkt (Bekman in: Boonstra&De Caluwé 2006, 46 ev.). In het concrete geval in het onderwijs: op welke manier maak jij in jouw doen en laten het verschil voor de leerling? Niet de vraag naar belemmeringen om ‘het verschil’ in praktijk te brengen, niet de woede staat dan centraal. Het vraagt om ‘actieve berusting’ in de vorm van een vraag aan jezelf: wat zijn in mijn dagelijkse bezigheden de momenten met een gouden randje? Wat maakt mijn werk zinvol voor mij, voor mijn leerlingen? Wat gaat er goed – waar bewerkstellig ik dat de zon schijnt – en wat heb ik nodig om dat nog beter te kunnen doen? Als het gaat om een betere beloning – dáár zit het ‘em in, in jouw eigen expertise en improvisatietalent waardoor de zon gaat schijnen. ‘Met woede gaat de zon niet schijnen’, zegt Vincent Bijlo, en richt zich op wat goed is in zijn leven. Laten we dat gaan doen, ieder voor zich en teams van leerkrachten sámen: de zon laten schijnen in het onderwijs!


 

Boonstra, J.&L. de Caluwé (eds.) (2006). Interveniëren en veranderen; zoeken naar betekenis in interacties. Deventer: Kluwer.

Schein, H. (1999). De bedrijfscultuur als ziel van de onderneming. Zin en onzin over cultuurverandering. Schiedam: Scriptum.

Susam, H. (2015). Cultureel sensitief leraarschap. Ontwikkeling van beroepskwaliteiten van aanstaande leraren voor pluriforme scholen. Amsterdam: VU University Press.