Op de stoel van de ander

Auteur: Ina ter Avest

Aan zijn gezicht zie ik al dat het vandaag niet goed gaat met Erdal. Erdal is een – wat wij noemen – tweede generatie kind. Hij is de zoon van Turkse ouders die naar Nederland zijn gekomen om geld te verdienen. Zijn vader en zijn moeder hebben alleen lagere school gevolgd. Zijn vader heeft zijn baan als conciërge door bezuinigingen in het onderwijs verloren; zijn moeder is in dienst van een schoonmaakbedrijf. Erdal zit in de brugklas en komt sinds een paar jaar tweemaal per week bij mij om zijn huiswerk te maken. Thuis kan hij daarvoor de rust niet vinden.

Met de mond vol tanden

Voordat we vandaag naar zijn huiswerk kijken, en bepalen waarmee we deze middag aan het werk gaan, vraag ik hem wat hem dwars zit. Het duurt even voordat het hoge woord eruit komt. Hij heeft gespijbeld. Hij heeft zich ziekgemeld, maar is niet naar huis gegaan. Hij heeft wat rondgezworven in de buurt totdat het drie uur was – de tijd dat hij normaal gesproken thuiskomt. Toen zijn moeder hem zoals elke dag vroeg hoe het op school was, heeft hij gezegd: ‘Oh, goed’. En toen ze vroeg hoe hij zijn SO gemaakt had, heeft hij wat gehumd. Maar het zit hem dwars dat hij niet echt gelogen heeft tegen zijn moeder, maar ook niet de waarheid heeft verteld. Als ik hem vraag waarom hij zich ziekmeldde vóórdat hij zijn Franse SO moest maken, zit hij met de mond vol tanden. Met veel eh’s en stiltes komt het hoge woord eruit. “Mijn vader overhoort me … ik ken de meeste woordjes wel, maar, eh, … de vervoegingen van de werkwoorden vind ik moeilijk … als de SO is uitgedeeld, eh, dan zie ik de opgaven en maak ik een soort van ‘spiekbriefje’, vooral van de vervoegingen, dat heeft de docent mij zo geleerd … dan begin ik … en dan, ja, eh, ik weet het niet … dan is mijn vriendje al klaar en loopt de klas uit … en, eh, ja, dan weet ik het niet meer… mijn vader was zo boos die keer dat ik een onvoldoende haalde!”

Het eerste waar ik aan denk is faalangst en ik vraag me af: “Moet ik met Erdal daaraan werken in plaats van concreet met zijn huiswerkopdrachten bezig zijn?” Maar dan zie ik die boze vader voor me – althans zoals Erdal dat waarneemt – en ik zie zijn moeder voor me – althans zoals Erdal haar gevraag ervaart. Ik realiseer me dat het niet helpt om aan Erdal’s faalangst te werken, als zijn ouders hem onder druk zetten om succesvol te zijn op school. Van Erdal weet ik dat zijn ouders hem regelmatig confronteren met de werkeloosheid van zijn vader en het slecht betaalde schoonmaakwerk van zijn moeder. “Zonder opleiding ben je nergens”, houden ze hem dan voor. In een flits schiet door me heen: het verhaal van Erdal lijkt op dat van Metin, in het recent gepubliceerde deels autobiografisch verhaal van Murak Isik.[i] Van het ene moment op het andere besluit ik deze middag niet met Erdal aan zijn huiswerk te beginnen. We gaan onderzoeken wat de opmerkingen van zijn vader en zijn moeder hem doen.

Een kakofonie in zijn hoofd

Als we vanuit de theorie van het Dialogisch Zelf[ii] naar de bovenstaande situatie luisteren, horen we dat verschillende ‘stemmen’ klinken in het hoofd van Erdal. De theorie van het Dialogisch Zelf gaat er vanuit dat in het verhaal van een persoon altijd meerdere stemmen meeklinken – meer of minder op de voorgrond.[iii]  In Erdal’s verhaal blijkt de stem van de docent mee te klinken als hij aan zijn SO begint – hij gaat een ‘spiekbriefje’ maken van de vervoegingen van de Franse werkwoorden. Hij hoort de stem van zijn moeder die elke dag weer vraagt of hij het goed gedaan heeft op school. En de stem van zijn vader klinkt in zijn hoofd als hij besluit zich ziek te melden – hij is bang voor de boosheid van zijn vader als hij weer een onvoldoende haalt. Een kakofonie van stemmen in Erdal’s hoofd! Om hem inzicht te geven in de rol die de ‘stemmen’ van zijn vader en moeder spelen, zou de Zelf Konfrontatie Methode/Zelf Kennis Methode (ZKM) een goede manier zijn. Dat is echter een methode waarbij grote nadruk ligt op verbale vaardigheden. Een aanvulling op die methode vormen technieken die ontleend zijn aan psychodrama.[iv] Psychodrama richt zich op het doen, op de ervaring, op het opnieuw beleven van een lastige situatie, zonder daar commentaar bij te geven. Het doel is inzicht te krijgen in het doen. [v] Een van de technieken van psychodrama is ‘de lege stoel’.[vi] De ‘lege stoel’ creëert ruimte voor een imaginair gesprek met ‘de ander’ – ‘de ander’ buiten of binnen je zelf. De ‘lege stoel’ is een speelse werkvorm, die in het bijzonder geschikt is voor een gesprek met leerlingen die van zichzelf niet zo praatgraag zijn – hetzij omdat ze het Nederlands (nog) niet goed beheersen of omdat ze van huis uit niet gewend zijn dingen bespreekbaar te maken. Geen huiswerk maken, maar de ‘lege stoel’: dat is wat ik die middag besluit om met Erdal te doen.

De ‘lege stoel’

Ik zet in het midden van mijn kamer twee lege stoelen neer, en vraag Erdal op een van de stoelen te gaan zitten. Op die stoel gezeten, vraag ik hem aan zijn vader – die imaginair op de andere stoel zit – te vertellen wat hij mij zojuist verteld heeft. Erdal schuift wat ongemakkelijk heen en weer op zijn stoel en met terneergeslagen ogen en bijna fluisterend doet hij opnieuw zijn verhaal. Dan vraag ik hem op de andere stoel te gaan zitten, alsof hij zijn vader is. Hij aarzelt een beetje bij die vraag, maar moet er ook wel bij lachen wanneer hij als zijn vader op die tweede stoel plaatsneemt. Hij speelt het spel mee, en begint het zelf wel leuk te vinden als ik hem vraag te gaan zitten zoals zijn vader zit. Als hij ‘vader’ is geworden, herhaal ik kort wat Erdal net verteld heeft, en vraag ik hem daar als ‘vader’ op te reageren. Het is even stil. Dan zegt ‘vader’: “Het is niet goed, Erdal, jongen, om te liegen – tegen de conciërge op school dat je ziek was, tegen je moeder dat het goed ging op school. Je moet altijd eerlijk zijn, dat staat in de Koran. Nu ben je gelukkig eerlijk, daar ben ik blij om.” Ik vraag Erdal weer van stoel te wisselen. Ik laat hem luisteren naar wat zijn ‘vader’ zojuist gezegd heeft. Waar Erdal eerst enigszins in elkaar gedoken op zijn stoel zat, verandert zijn houding bij deze woorden van zijn ‘vader’. “Wat wil je verder nog tegen je vader zeggen?”, vraag ik Erdal. Erdal begint aarzelend, en zegt dan zoiets als “Sorry, pappa.” Voor een laatste keer vraag ik hem deze middag van stoel te wisselen, en nog één keer zijn ‘vader’ te worden. Ik spreek hem aan als ‘vader van Erdal’ en geef hem de gelegenheid te reageren op de excuses van zijn zoon. ‘Vader’ antwoordt: “Ik ben er wel van geschrokken, Erdal, dat je gespijbeld hebt omdat je bang bent voor mijn boosheid. We moeten het er nog maar eens over hebben, misschien samen met jouw docent?”.

Nadat we de twee stoelen weer op hun plaats bij de tafel gezet hebben, zegt Erdal: “Mijn vader is dus niet alleen maar boos, niet als ik een onvoldoende haal en niet als ik gelogen heb. Hij vindt het fijn als ik eerlijk ben.” Het is even stil. Dan vervolgt hij: “Ik ga eerlijk zijn, en wat ik jou verteld heb ook in het echt aan mijn vader vertellen.” Weer is het even stil. Dan vraagt hij, aarzelend: “Wil jij dan met mij meegaan?” Zonder mij kan Erdal dit gesprek (nog) niet aangaan.

Spelend naar een ander perspectief

Vanuit het perspectief van de theorie van het Dialogisch Zelf kan de methode van ‘de lege stoel’ behulpzaam zijn bij het ontwikkelen van inzicht in het eigen verhaal, en – wat bij Erdal heel belangrijk bleek – kennis te maken (letterlijk!) met de meerstemmigheid van de ander – in Erdal’s geval: de meerstemmigheid van zijn vader. Een man die om begrijpelijke redenen niet alleen maar boos kan zijn als zijn zoon het niet goed doet op school. Voor Erdal is belangrijk dat zijn vader vanuit zijn religieuze achtergrond zijn eerlijkheid hogelijk waardeert. De ‘lege stoel’ werd ‘de stoel van de ander’ en blijkt voor Erdal een voorzichtige aanzet tot verandering. Niet alleen bij Erdal ‘werkt’ deze werkvorm. Hij zit niet langer met de mond vol tanden, maar in de positie van zijn vader verandert hij in een praatgrage jongen, die heel goed weet wat er in ‘de ander’ – zijn vader – omgaat. Erdal speelde zichzelf naar een ander perspectief. De speelse benadering van ‘de lege stoel’ creëert voor docenten en leerlingen ruimte voor een ander perspectief, wat tot verrassende nieuwe inzichten kan leiden.


[i] Isik, M. (2018). Wees onzichtbaar. Amsterdam: Ambo/Anthos.sik 2018.

[ii] Hermans, H. J. M., & Hermans-Konopka, A. (2010). Dialogical self theory: Positioning and counter-positioning in a globalizing society. Cambridge: Cambridge University Press.

[iii] Zie ook: Hermans, H. (2018). Bedreigde psychodiversiteit. Pleidooi voor een innerlijke democratie. ’s-Hertogenbosch: Gompel&Svacina.

[iv] Verhofstadt-Denève, L. (2012). Psychodrama: From a dialogical self theory to a self in dialogical action. In H. J. M. Hermans & T. Gieser (Eds.), Handbook of dialogical self theory (pp. 132–150). Cambridge: Cambridge University Press.

[v] Arendsen Hein, M. (2004). Psychodrama en transactionele analyse. Inzicht door (trans)actie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

[vi] Ter Avest, I. (2017) “I experienced freedom within the frame of my own narrative”: the contribution of psychodrama techniques to experiential learning in teacher training. International Review of Education 63: 71. doi:10.1007/s11159-017-9617-6