Verdedigen bij pesten: durven, kunnen, willen

Auteur: Rozemarijn van der Ploeg

Pesten is een probleem waar elke school mee te maken heeft. In bijna alle klassen worden leerlingen in meer of mindere mate gepest. In 2016 gaf tien procent van de basisschoolleerlingen aan dat zij slachtoffer geweest zijn van pesten[1]. Hiervan werd bijna acht procent maandelijks gepest en bijna drie procent wekelijks. Pesten kan ernstige gevolgen hebben voor iedereen die er mee te maken krijgt. Zo hebben slachtoffers vaak psychische klachten en vinden ze het niet leuk op school. Omstanders voelen zich vaker onveilig op school en zijn bang om zelf slachtoffer te worden. Kinderen die pesten, hebben een hoger risico op schooluitval en gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Om het pesten op scholen aan te pakken, is afgelopen jaar de wet Veiligheid op school ingevoerd. Deze wet verplicht scholen zich in te spannen om pesten tegen te gaan en de sociale veiligheid van hun leerlingen op school te waarborgen. Maar wat kunnen scholen dan doen? Het aanmoedigen van ingrijpen bij pesten door omstanders lijkt effectief, maar er heerst ook nog onduidelijkheid over hoe en wanneer het werkt.

Pesten tegengaan

In de afgelopen decennia zijn er talloze anti-pestinterventies ontwikkeld. Een deel van die interventies richt zich specifiek op slachtoffers van pesten. Het idee daarachter is dat slachtoffers moeten leren om voor zichzelf op te komen, weerbaarder moeten worden of hun sociale vaardigheden moeten verbeteren. Een ander deel van de interventies richt zich alleen op degenen die pesten. Zij moeten hun gedrag veranderen, hun emoties leren controleren of gestraft worden voor het pesten. De laatste jaren is er meer aandacht voor interventies die zich richten op de hele klas. Uit onderzoek naar mechanismen achter slachtoffer- en daderschap van pesten is namelijk gebleken dat pesten een complex groepsproces is waarbij veel factoren een rol spelen.

We weten nu dat pesten niet iets is wat zich alleen tussen de pester en het slachtoffer afspeelt. Het gebeurt bijna altijd in een groep. In die groep nemen kinderen verschillende rollen aan. Zo zijn er kinderen die mee gaan doen bij het pesten (assistenten) of die om het pesten lachen (versterkers). Daarnaast is er vaak een grote groep kinderen die niets doet (de passieve omstanders) en daarmee het pestgedrag indirect goedkeurt. De groep kinderen die wél ingrijpt als er gepest wordt (verdedigers), is vaak maar klein. Dit terwijl verdedigen bij uitstek belangrijk is in het tegengaan van pesten: het helpt om pestgedrag te stoppen en geeft slachtoffers meer zelfvertrouwen en een betere sociale positie in de groep.

Om pesten op scholen te verminderen, lijkt het dus van belang om er ook voor te zorgen dat het gedrag van de omstanders verandert. Naarmate meer kinderen openlijk pesten afkeuren, zal de motivatie om te gaan pesten afnemen en voelen slachtoffers zich meer gesteund. Op deze manier ontstaat er een groepsklimaat waarin positief sociaal gedrag beloond wordt.

Verdedigen bij pesten: een groot risico?

Hoewel het belang van actief ingrijpen in pestsituaties en het creëren van een positief groepsklimaat al in een aantal anti-pestinterventies is opgenomen, zijn er maar weinig kinderen die de rol van verdediger op zich nemen. Een veelgehoorde reden hiervoor is dat zij bang zijn om zelf het volgende slachtoffer te worden. Uit onderzoek blijkt echter dat verdedigers juist minder gepest worden en dat kinderen die het opnemen voor slachtoffers van pesten, bijvoorbeeld door in te grijpen in de pestsituatie of door het slachtoffer achteraf te steunen, populairder gevonden worden door hun klasgenoten. Desondanks leeft de angst om zelf gepest te worden onder sommige potentiële verdedigers, al is dit vaak meer een kwestie van perceptie dan van een daadwerkelijk risico.

Een andere mogelijke reden is dat kinderen niet goed weten wat ze moeten doen als er gepest wordt of zich niet goed voor kunnen stellen wat het pesten voor iemand betekent. Kinderen die van zichzelf denken dat ze op kunnen treden tegen pesten, of dat ze het slachtoffer kunnen helpen, verdedigen vaker. Ook nemen kinderen die meer meeleven met slachtoffers van pesten, bijvoorbeeld doordat ze zelf boos of verdrietig worden als ze zien dat iemand gepest wordt, vaker de rol van verdediger aan.

Verdedigen als interventie

bron: flickr.com

Voor scholen die pesten willen tegengaan door het ingrijpen bij pesten te stimuleren, liggen dus ten minste drie wegen open. Ten eerste kunnen scholen kinderen laten inzien dat verdedigen niet per definitie risicovol is en ook positieve gevolgen heeft voor zowel de hele groep als individuele kinderen. Ten tweede kunnen kinderen door middel van oefeningen leren wat ze kunnen doen als er gepest wordt. Tot slot kan empathietraining, al een onderdeel van diverse anti-pestinterventies, ervoor zorgen dat kinderen meer meeleven met slachtoffers. Dit vergroot de kans dat zij in pestsituaties de rol van verdediger op zich nemen.

Gezien de positieve effecten van verdedigen op het klimaat in de klas zullen veel scholen het stimuleren van ingrijpen bij pesten een aantrekkelijk idee vinden. Het is echter nog wel onduidelijk of er specifieke omstandigheden zijn wanneer verdedigen geen goede strategie is. Zo zijn er verschillende manieren om te verdedigen. Sommige zijn confronterend, andere draaien om het troosten van het slachtoffer. Wellicht zijn het alleen de niet-confronterende manieren die risicovrij zijn. Meer onderzoek is dan ook nodig om uit te vinden wat werkt, wanneer, en voor wie. Pas dan wordt het voor scholen duidelijk of het stimuleren van verdedigen een geschikte manier is om pesten te verminderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Scholte, R., Nelen, W., De Wit, W., Kroes, G. (2016). Sociale veiligheid in en rond scholen. Nijmegen: Praktikon