Wilders’ woorden: een internationaalrechtelijke ontleding

Door: Jeroen Temperman

Jeroen Temperman is universitair hoofddocent internationaal publiekrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Recent verscheen zijn boek Religious Hatred and International Law bij Cambridge University Press.

Strafrechtjuristen kijken reikhalzend uit naar de behandeling van de ‘Minder! Minder!’ zaak door de rechtbank in Den Haag. De rechtszaak tegen Geert Wilders start half maart 2016. De feiten zijn bekend: op de avond van de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 sprak Wilders een café vol PVV-aanhangers – leden kunnen ze om welbekende redenen niet genoemd worden – toe en stelde de vraag of zij in Nederland meer of minder Marokkanen wilden. Het publiek bleek een uitgesproken voorkeur voor dat laatste te hebben blijkens het collectief gescandeerde ‘minder!’, waarop Wilders aangaf ‘dat’ – minder Marokkanen in Nederland – te zullen gaan ‘regelen’.

Hoewel deze vervolging weer tot tal van interessante internationaalrechtelijke vragen zal leiden (over de vrijheid van meningsuiting, over de grenzen daarvan, over ‘haat zaaien’), kijken mensenrechtenspecialisten op dit moment ook en vooral uit naar een andere uitspraak rond de persoon Wilders – een uitspraak waar in tegenstelling tot de Minder! zaak lang niet iedereen weet van heeft. Op enig moment in de nabije toekomst neemt het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties namelijk een beslissing naar aanleiding van de vorige vervolging en berechting van Wilders.

download (3)Het rijkelijk vage ‘naar aanleiding van’ in de vorige zin is bewust gekozen: het betreft bepaald geen zaak tegen Wilders. De zaak is ook niet aangespannen door Wilders: Wilders werd immers volledig vrijgesproken de laatste keer dat hij om zijn uitspraken vervolgd werd. Kort en goed: deze zaak is aanhangig gemaakt tegen Nederland precies omdat Wilders vrijgesproken was in de eerste zaak-Wilders. Dit is een unieke internationale klacht.

De feiten van de onderliggende nationale zaak zijn opnieuw bekend, maar wel al wat ouder: gedurende 2010-2011 werd Geert Wilders vervolgd voor o.a. groepsbelediging en het aanzetten tot haat vanwege uitspraken die hij gedaan had over moslims en Marokkanen in verschillende media, waaronder interviews in de Volkskrant, diverse opiniestukken, en tevens de film Fitna waarin Wilders zijn kritiek op de Koran presenteerde. In eerste instantie seponeerde het Openbaar Ministerie de zaak. Via een succesvolle zogenaamde ‘Artikel 12 Sv-procedure’ slaagden belanghebbenden (mensen en groeperingen die aangifte hadden gedaan) er bij het Hof van Amsterdam in dat het OM min of meer gedwongen werd toch te vervolgen. Dit deed het OM, maar schoorvoetend: in de verscheidene procesgangen die volgden verzocht het OM de rechtbank om vrijspraak. Op 23 juni 2011 bevestigde de rechtbank van Amsterdam de volledige vrijspraak in de zaak-Wilders.

Indien Wilders zou zijn veroordeeld had deze zaak ongetwijfeld (ook) een internationaalrechtelijk staartje gekregen. Hij had bijvoorbeeld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van zijn vrijheid van meningsuiting kunnen claimen. Of dit hof daarin mee zou zijn gegaan is overigens niet evident: eerdere veroordelingen naar aanleiding van hatelijke of beledigende uitspraken door politici zoals Jean-Marie Le Pen bleven volgens dit internationale hof binnen de perken van de door het internationaal recht bepaalde grenzen op de vrijheid van meningsuiting.

Maar ook nu Wilders niet veroordeeld is, is internationaal recht nog niet klaar met de zaak-Wilders no. 1. En de huidige uitkomst – geen veroordeling in de eerste zaak-Wilders – leidt in feite tot de meest interessante juridische vragen, althans vanuit internationaalrechtelijk perspectief. Want hebben diegene over wie Wilders het voortdurend heeft – Moslims, Marokkanen – niet ook rechten? En zo ja, wat zijn dan precies de verplichtingen die Nederland heeft ten opzichte van die groepen?

Nederland heeft zich gecommitteerd de vrijheid van meningsuiting te garanderen. Dit staat in de Grondwet en in de verdragen die Nederland geratificeerd heeft. Maar in een van die verdragen – Artikel 20 van het VN Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (IVBPR) – staat ook dat het ‘propageren van haatgevoelens’ die ‘aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld’ door de verdragsstaten verboden dient te worden. Nu dient zich dus de vraag aan of een land die norm schendt wanneer het onvoldoende doet om dat soort type ‘haatpropaganda’ effectief te verbieden.

Dit is precies de vraag die enkele belanghebbenden, mensen die zich het slachtoffer van Wilders’ woorden voelden, aan het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties hebben voorgelegd. De klacht is eind 2011 door drie Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond bij het comité ingediend. In deze klacht gaan ze vrij uitgebreid in op hoe Wilders volgens hen het klimaat in Nederland heeft veranderd ten nadele van Marokkanen en moslims, waarbij ook enkele concrete hate crimes beschreven en aan Wilders’ uitingen gelinkt worden.

De zaak staat nu al enige jaren op de rol en een uitspraak zal niet veel langer uitblijven. Indien het comité de zaak inhoudelijk zal behandelen is dat baanbrekend om verscheidene redenen. Ten eerste zal dit waarschijnlijk leiden tot verdere – hoognodige – gezaghebbende reflecties op zulke noties als ‘haat zaaien’, ‘opruien’, ‘aanzetten tot geweld’, en ‘aanzetten tot discriminatie’. Veel nationale wetgeving, inclusief de Nederlandse, verbiedt dit type uitingsdelicten, maar de precieze content en context noodzakelijk voor een veroordeling blijven uiterst obscuur, hetgeen leidt tot moeilijk te verenigen praktijken tussen staten en zelfs onverenigbare rechtspraak binnen een land.

Maar minstens zo interessant zou in dat geval zijn het simpele feit dat het comité de klacht niet niet-ontvankelijk verklaart. Artikel 20 IVBPR bepaalt immers dat staten een zekere verplichting hebben: haatpropaganda verbieden. Niet duidelijk is of individuen daarmee ook een fundamenteel en in stelling te brengen recht hebben op bescherming tegen zulke propaganda. Het comité heeft zich nog nooit uitgelaten of individuen – d.w.z. mogelijke slachtoffers van haatpropaganda – Artikel 20 IVBPR ook daadwerkelijk tegen hun staat kunnen inroepen. Mocht het comité de zaak inhoudelijk bespreken, en helemaal indien het zo ver gaat Nederland te veroordelen, dan krijgt dit recht op bescherming tegen haatpropaganda voor het eerst duidelijke(re) contouren.

 

Copyright 2016, all rights reserved | Gepubliceerd op: 1-3-2016